Jason Moran and the Bandwagon: de personificatie van postmoderniteit
CONCERTRECENSIE. Bimhuis Amsterdam, Jason Maron and the Bandwagon, 25 maart 2007
beeld: Ger Koelemij
door: Tim Sprangers
Eind vorig jaar kwam de zevende cd ‘Artist in residence’ van toetsenist Jason Maron uit. In samenwerking met drummer Nasheen Waits, bassist Tarus Mateen en enkele gastmuzikanten bevestigde hij met deze opname wederom zijn kenmerkende multilaterale karakter.
Jason Moran, Tarus Mateen, Nasheet Waits
Geïnspireerd op Afrikaanse slavernijmuziek, hiphop, Coltrane, Davis en ook door diverse kunstenaars als Jean-Michel Basquiat, Egon Schiele en video/performance artiest Joan Jonas is de plaat een avontuurlijke reis door de ideeënwereld van de Amerikaanse muzikant. Moran leunt op de vaderlijke schouders van voornamelijk oude jazzmeesters en geeft hier een persoonlijk en ultramodern jasje aan.
We leven immers in een postmoderne tijd. In een wereld waar een realiteit zoek lijkt te zijn doordat ons een onbegrensde hoeveelheid beelden, culturen en denkbeelden wordt opgelegd. Jason Moran and the Bandwagon lijken de personificatie van deze filosofische stroming. Menigmaal een nummer openend met een hiphopsample werden tochten georganiseerd naar de bebop, klassieke muziek, rock, blues, slapstick, funk, avant-garde en wereldmuziek. Soms werd er structureel gewerkt naar het einde met een centraal thema als houvast; in het daaropvolgende nummer leek het aanhalen van een thema taboe te zijn en werd het abrupt beëindigd.
Misschien dat Moran voor deze stijl heeft gekozen. Logischer lijkt dat de aanpak een logisch gevolg is van zijn eigenzinnige en veelzijdige kwaliteiten. Moran intrigeerde door lieve ballads, duidelijk geïnspireerd op Thelonious Monk. Hij verbaasde zijn publiek door een droogkomisch Charlie Chaplin-intermezzo te laten vervloeien met funky bebopthema’s. Deze bereikte hij voornamelijk met hulp van de Fender Rhodes. Hierop speelde hij weliswaar bezield, maar vaak met wat chaotische, lange uithalen. Beter had hij zich op de Fender iets feller kunnen gedragen door het aanslaan van kortere tonen. Deze bewaarde hij voornamelijk voor de vleugel, onder het opzwepend geweld van de robuuste drummer Nasheet Waits. Voornamelijk in het begin weigerde hij grooves langer aan te houden dan twee seconden. Constant was hij aan het spelen met ritmes en tempo’s. Zonder enige aanleiding verdrievoudigde hij het tempo; het was alsof hij elke climax gebruikte als startpunt om een nieuwe te zoeken. Wat te zeggen van zijn drumsolo’s, waarin zijn armen visueel niet meer te onderscheiden waren; de overdonderende bruutheid kwam in zo’n hoge vaart, dat de sound naar monotoon neigde.
Tussen twee ontketende musici zou bassist Tarus Mateen eigenlijk enige rust moeten creëren. Of - om het postmodernisme nog meer kracht bij te zetten - ook veelzijdig met zijn instrument bezig te zijn. Hij onthield zich van beide methoden. Mateen speelde wat rommelig, zonder ooit een identiteit aan te nemen. Met zijn kenmerkende verveelde houding, leunend op een stoel en één been gestrekt, lukte het hem niet zich op welke manier dan ook te onderscheiden.
Door de overvloed aan invloeden neigde het optreden af en toe naar slordig; saai werd het echter nooit. De uitdagende wijze waarop Jason Moran and the Bandwagon muziek benadert is van deze tijd en wordt bovendien door voornamelijk Waits en Moran origineel en gepassioneerd uitgevoerd. Hoogtepunt was de toegift ‘He puts on his coat and leaves’ (op de cd enkel door Moran ingespeeld), waarbij er op postrockachtige wijze werd opgebouwd naar een melancholisch hoogtepunt.
- Jason Moran website
