Herbie Hancock laveert tussen verrassing en voorspelbaarheid
CONCERTRECENSIE. Herbie Hancock, Concertgebouw Amsterdam, 22 oktober 2008
beeld: Thomas Huisman
door: Mischa Andriessen
Wat zou hij nu doen? Er zijn bij concerten van Herbie Hancock momenten geweest dat je de fotografen benijdde die na tien minuten de zaal werden uitgezet. Als hij een matig begaafde violiste een hysterische ode aan haar moeder liet brengen bijvoorbeeld of hij een dramatische versie van het toch al tot droefenis stemmende “I just called to say I love you” ten gehore bracht.
Voorafgaand aan het concert dat Herbie Hancock gaf in het Concertgebouw kreeg hij uit handen van Simon Reinink de Concertgebouw Jazz Award 2008 uitgereikt.
Bij die optredens waren er echter ook momenten dat alles meezat en de man een adembenemende proeve van zijn kunnen gaf; een prachtige pianosolo, een intrigerend nieuw arrangement van een van zijn succesnummers.
Feit is dat Herbie Hancock ongrijpbaar blijft en dat voor alles ook wil zijn. Het is zijn vrijbrief geworden, een altijd werkende repliek op het verwijt dat lang niet alles wat de toetsenist doet zeggingskracht heeft, dat hij zich soms overgeeft aan al te simplistisch effectbejag.
Hij weet hoe hij een zaal moet bespelen, zet zijn klassiekers op het juiste ogenblik in. Het maakt niet uit wat hij daarvoor gedaan heeft, “Cantaloupe Island” besluit de set en met dat nummer in het hoofd gaat iedereen opgewekt naar huis.
Sommige showelementen zijn van te voren uitgedokterd. Terwijl de band het applaus in ontvangst nam, werd de keytar al door twee roadies van het podium gedragen zodat Hancock vanuit de coulissen aan zijn toegift “Chameleon” kon beginnen. Een zorgvuldig voorbereide verrassing.
Tegenover de gedeeltelijk vastomlijnde show en het geijkte gefreak met maatsoorten, vreemde geluiden en instrumenten staat ook een belangrijke mate van onvoorspelbaarheid. Je kunt op veel van wat Hancock brengt kritiek hebben, maar de man barst nog altijd van energie en ideeën. Hij is een toonbeeld van iemand die ervan geniet om op te treden. Ook dat is een beetje show, maar toch voor het grootste deel authentiek. Het is veelzeggend dat in de telkens wisselende bezettingen de even ongrijpbare gitarist Lionel Loueke de enige vaste waarde is gebleken.
In het Concertgebouw trad Hancock aan met een band die de belofte inhield dat er echt gespeeld zou gaan worden. De ritmesectie bestaande uit Kendrick Scott op drums en James Genus op bas stelde beduidend meer jazz in het vooruitzicht dat de laatste jaren het geval was, en met harmonicaspeler Gregoire Maret en trompettist Terence Blanchard bracht Hancock bovendien twee blazers mee die bereid zijn bij momenten tot het uiterste te gaan en zo veel energie in de muziek kunnen leggen. Dat Maret veel tijd nodig heeft om op stoom te komen, neem je daarbij op de koop toe. De groep loste die belofte bij vlagen zeker in.
De band spon de nummers lang uit, dikwijls te lang – er werden zes nummers en twee solo’s in zo’n tweeënhalf uur gespeeld – maar de muzikanten kregen het vuur uiteindelijk steeds weer opgestookt. Loueke gaf een van zijn onnavolgbare solo’s (al had ook die korter gekund) en Hancock zelf zette zich in zijn eentje aan een dikwijls ontroerende herschepping van “Little one.” Een van zijn mooiste nummers van een van zijn mooiste platen “Maiden Voyage.”
Ook nu was er soms de ergerniswekkende oeverloosheid, het spelen om het spelen en de obligate spelletjes met het publiek, maar dit keer liet Hancock, die voorafgaand aan het optreden de Concertgebouw Jazzaward kreeg uitgereikt, veel van zijn improvisatietalent zien en al verdween de schwung herhaaldelijk, hij kwam ook altijd weer terug. Zo doende was het een verrassing dat het bij buitenkomst al na elven was. De fotografen die na twee nummers de zaal moesten verlaten, hadden ditmaal het nodige gemist.
