Te veel vrijheid in debat over jazz en vrijheid
DEBAT
Jazz up your mind, Freedom of Jazz, Lantaren Venster Rotterdam, 8 juni 2006
beeld: Jelle van der Hijden
door: Koen Graat
Heeft een jazzmusicus volledige artistieke vrijheid, of spelen ook binnen de jazz commerciële en ideologische belangen mee? En waarom werd in veel landen met een autoritair regime jazz verboden? Is de vrijheid die jazz uitstraalt voornamelijk symbolisch? De Erasmus Universiteit organiseerde in het Rotterdamse Lantaren / Venster onder het motto ‘Jazz up your mind’ lezingen en een debat over het thema jazz en vrijheid. ‘Het verbod op jazz in communistische landen had niets te maken met syncopen of trommels, maar met de mensen die er naar luisteren. Jazz is muziek die je opstandig maakt’, aldus Rudi Kagi, discussieleider en auteur van het boek ‘De verboden saxofoon’.
Gijsbert Oonk (historicus Erusmus Universiteit) benaderde het thema jazz en vrijheid letterlijk door in te gaan op de ‘roots’ van de jazz, de slavernij. Hij concludeerde dat jazz is ontstaan in onvrijheid, op de plantages dus. Maar in New Orleans was alle vrijheid om vervolgens allerlei muzikale richtingen te laten samensmelten. Zowel vrijheid als een gebrek daaraan hebben volgens Oonk dus een belangrijke rol gespeeld.
Lutgard Mutsaers, muziekwetenschapper aan de Universiteit van Utrecht, begon sterk door het relatieve karakter van vrijheid op te merken. Vrijheid is immers vaak gebaseerd op streng ideologische gronden. Haar betoog werd echter zwakker naarmate ze steeds maar het dogma ‘jazz moet dansbaar zijn’ herhaalde.
‘Allemaal mooie verhalen’, zo begon jazzjournalist Koen Schouten (de Volkskrant) zijn relaas, ‘maar als er één muziek is die niet vrij is, dan is het jazz’. Schouten doelde daarmee op de richtingenstrijd in de jaren zeventig in Nederland. Aan de ene kant had je de traditionele, Amerikaanse jazz. Aan de andere kant stonden de Mengelbergen en Benninks met hun gesubsidieerde ‘piepknor jazz’. Schouten: ‘Binnen de ene richting mocht je geen rare noten spelen en binnen de andere richting mocht je geen mooie lijnen spelen. Wat nou vrijheid?’
Toch erkende ook Schouten dat die tegenstrijdigheden nu minder zijn. Logisch, want ook jazz is de laatste decennia onderhevig geweest aan de postmoderne mierenhoop waarin stromingen en stijlen door elkaar heenlopen en samensmelten. Uiteindelijk ontbrak het in alledrie de lezingen aan een originele of verrassende invalshoek. De meest interessante vragen over jazz en vrijheid werden dan ook niet beantwoord.
Na een muzikaal intermezzo door Benjamin Herman (altsax) en Eric van der Westen (contrabas) begon het debat. Vanwege een surplus aan vrijheid in de discussie ontbrak zo nu en dan de rode draad. Zo beweerde Mutsaers dat de jazzwereld te veel wordt gedomineerd door puristen met een aversie tegen alles wat naar commercie riekt. Bovendien zou die zelfde jazzwereld het niet op vrouwen hebben, wat Schouten weer afdeed als ‘feministische prietpraat’, tot genoegen van een deel van het publiek. Jack Rothuizen (directeur Jazz International Rotterdam) sprak over de kunst van het programmeren, waarin zowel artistiek als commercieel moet worden gedacht. Eric van der Westen vond dat op één na alle conservatoria in Nederland moeten worden afgeschaft en dat het tijd wordt voor Coltrane’s Love Supreme op de radio. En na een vraag over jazz en engagement moest Benjamin Herman beamen dat veel jazzmusici zich toch wel erg afzijdig houden van maatschappelijke gebeurtenissen.
Al deze thema’s zijn stuk voor stuk interessant genoeg om een avond mee te vullen. Het uurtje wat er donderdagavond voor stond, was duidelijk te kort. Het wachten is op een vervolg met iets minder vrijheid.
