Dave Douglas Quintet: lucht pompen in een band die leegloopt
CONCERTRECENSIE. Bimhuis Amsterdam, Dave Douglas Quintet, 1 november 2006
beeld: Ger Koelemij
door: Mischa Andriessen
Dave Douglas wordt jaar in jaar uit als een van de beste trompettisten van dit moment genoemd. Dat is begrijpelijk omdat hij een grote speelvaardigheid aan een avontuurlijke instelling koppelt. Techniek staat onder jazzfans zelden ter discussie, de vaakbekwaamheid van de meeste muzikanten is aan geen enkele twijfel onderhevig. Het debat wordt doorgaans gevoerd over de zeggingskracht van dit technisch vernuft. Veel en/of moeilijke noten maken natuurlijk nog geen mooie muziek.
Dave Douglas, Uri Caine, Donny Maccaslin
Wie Dave Douglas een geweldige trompettist noemt, kan op mijn instemming rekenen. Dat neemt echter niet weg dat veel van de platen die ik van hem ken (dat zijn ze lang niet allemaal dat geef ik grif toe) voor mij toch wat teleurstellend zijn. Het stomme is dat ik niet precies weet waarom. Nu hoeft er niet altijd een verklaring te zijn – met sommige mensen klikt het zonder reden ook niet- maar Douglas’ talent is zo evident dat het mij oprecht verbaast dat ik zijn cd’s zo weinig afspeel.
Een keer eerder zag ik Douglas live met een groep waarin onder meer Michael Moore en de ongelofelijke drummer Tyshawn Sorey speelden. Het enige dat ik mij van dat optreden kan herinneren dat mijn moeite met zijn muziek kan verklaren, was de afstandelijkheid die vooral hijzelf uitstraalde. Daar was aan de andere kant bij zijn optredens met John Zorns Accoustic Massada weer niets van te merken.
Behalve Douglas zelf waren er bovendien nog genoeg andere redenen om naar het optreden in het Bimhuis uit te zien. Het meespelen van saxofonist Donny Maccaslin bijvoorbeeld, maar ook dat van de recalcitrante toetsenvirtuoos Uri Caine. Caine is ook zo iemand waarvan niet te ontkennen valt dat hij heel erg veel kan, maar wiens kunnen zich soms vertaalt in lege virtuositeit. Bij bijvoorbeeld David Binney heeft hij echter ook laten horen dat zijn tegendraadse spel anderen tot prachtige prestaties kan inspireren.
Het eerste nummer van het optreden leek meteen alle vooroordelen te bevestigen. De muziek was druk, vol tempo- en harmoniewisselingen, zo veel dat het leek alsof er niets gebeurde. Veel virtuoze muziek komt vreemd genoeg vaak heel monotoon over. Daarna revancheerde Douglas zich met twee meer aansprekende songs; een opgedragen aan zijn vrouw Susanna, een aan de legendarische sopraansaxofonist Steve Lacy. Toch legde ook deze nummers de in mijn ogen zwakke plek van dit kwintet pijnlijk bloot. Er is te weinig ruimte en een overvloed aan ideeën. Een hele keur aan stijlen kwam voorbij: funk, free jazz, bop en dat vaak allemaal in een en dezelfde compositie. Dat voortdurend wisselen haalt het hart uit de muziek. Het ontbreekt aan een herkenbare kern. De muzikanten zijn stuk voor stuk heel goed, maar ze krijgen (en geven) te weinig gelegenheid om in hun talent ook diepgang te etaleren. Vooral Donny Maccaslin kreeg erg weinig tijd toegemeten. Juist zijn met hart en ziel geblazen solo in het anti-oorlogsnummer dat de groep tegen het einde van de eerste set speelde, was een van de hoogtepunten in een technisch hoogstaand, maar te vlak optreden. Zo bleef het concert er een van vallen en opstaan. Elke keer als de groep de spirit te pakken leek te hebben, werd deze door een akkoordenwisseling, een briljant loopje of een lepe drumroffel weer teniet gedaan. Op die manier bleef het lucht pompen in een band die leegloopt. Hoe je ook je best doet de band blijft slap. In het overvolle Bimhuis zaten vast veel jazzliefhebbers die het niet met mij eens zijn, maar ik begreep ineens veel beter waarom Douglas’ muziek ondanks alle echt prachtige momenten die er ontegenzeggelijk waren, uiteindelijk mij niet erg aanspreekt.
- Dave Douglas website
