De mooiste solo
COLUMN
door: Mischa Andriessen
Toen ik ruim zeventien jaar geleden in Utrecht ging studeren, liet ik geen mogelijkheid onbenut om live muziek te horen. De toegangsprijzen waren toen nog zo dat je je dat kon permitteren. De concerten die ik destijds bezocht waren popconcerten. Jazz was een andere wereld; een die ik niet kende, maar op zeker moment, stap voor stap ging verkennen. Na meer dan honderd popconcerten had ik namelijk zo langzamerhand genoeg van die muziek.
Ik ging niet gelijk overstag. De goedkope platen die ik kocht van Parker, Dizzy, Gijs Hendriks en een Russische persing van – als ik het goed ontcijferd had - Lester Young, vond ik mooi, zeker, maar een beetje braaf (dat was toen, nu kan het mij soms niet braaf genoeg zijn). Door een gelukkig toeval kocht ik kort na elkaar twee lp’s die mij blijvend voor de jazz wonnen: Archie Shepps “Blasé” en Keith Jarretts “Eyes of the heart”.
Wat is de mooiste solo? Daarover valt te redetwisten. Ik zal het alleen al herhaaldelijk met mijzelf oneens zijn. Toch is de kans groot dat als een slecht geschoren inspecteur een felle lamp recht in mijn ogen laat schijnen terwijl hij zijn blinkende revolver op tafel legt, ik meteen beken dat ik Dewey Redmans saxofoonsolo in “Eyes of the heart pt 2” de mooiste aller tijden vind. Hoe die bijna vanuit het niets komt - al is er dan die luwte in het pianospel die hem stiekem aankondigt, zoals het soms heel even doodstil wordt vlak voor het onweer losbarst. Hoe die na dat tedere geweld waarin Redman tonen uit de sax perst die het instrument aan geen ander prijs heeft willen geven – hoe die fenomenale solo daarna wegebt, terugkeert naar de stilte waaruit hij is ontstaan. Nog wat kleine foezelingen en dan niets meer. Alleen de kou in je ruggenmerg getuigt nog van het wonder dat zojuist heeft plaatsgevonden.
Dit jaar overleed Dewey Redman. Zijn beste tijd lag al lang achter hem. Toen ik hem bij zijn laatste optreden in het oude Bimhuis zag, waren het pianiste Rita Marcotulli en drummer Matt Wilson die de show stalen. Dewey zelf dronk vele glazen rode wijn en nam op de tribune plaats naast een jongen die voor aanvang van het concert minutenlang gelukzalig staarde naar de in zijn collectie nog ontbrekende Redman cd’s die hij in de winkel van het Bimhuis na jaren zoeken had kunnen vinden. Ze zaten naast elkaar; de trotse fan en de oude muzikant die zoveel moois had voortgebracht, maar ondertussen vooral bekend was als de vader van Joshua Redman. Zijn jonge bandleden speelden prachtige muziek en Dewey keek tevreden toe. Hij had het stokje goed overgebracht. Nu gingen zijn zoon en alle talenten die met hem hadden gespeeld er bliksemsnel mee aan de haal.
Dewey Redman is al weer een aantal maanden terug overleden. Het jaar dreinde door en is nu al weer bijna voorbij. Tijd om even stil te staan. Soms is een column het perfecte instrument om te provoceren en een baldadige mening te ventileren: de mooiste solo is het vioolgepluk van Michael White in “Ballad for Mother”, Archie Shepps schelle sopraansax in “Mama rose” met Jasper van ’t Hoff, de valsgestreken bassolo van Cecil McBee in Larry Willis’ “Ethiopia”… De reacties zullen dan niet uitblijven. Maar soms heb je geen zin om te discussiëren. Soms ook zijn de dingen even niet anders dan jij ze ziet. Dan is er geen twijfel over mogelijk wie de mooiste solo aller tijden heeft gespeeld en dringt weer tot je door – dag Dewey, het ga je goed - dat die zo bijzondere muzikant niet meer in ons midden is.
