De Mythe van het Authentieke (deel 2)
COLUMN
door: Mischa Andriessen
De rauwe puurheid van de blues is een verzinsel. Met voorbedachten rade is de blues die vanaf begin vorige eeuw op de plaat is gezet ruiger en zwarter gemaakt dan zij in werkelijkheid is geweest. De complexe mengvorm die blues in de Zuidelijke staten was, werd door handige jongens van de platenmaatschappijen uit het noorden omgebouwd tot een donker genre, waarin de lichtheid plaatsmaakte voor lompheid en de wederzijdse beïnvloeding tussen de verschillende rassen en muziekstijlen verdween. De gewezen bajesklant Leadbelly werd het rolmodel dat door zijn ontdekkers de Lomax Family liefst in boevenpak het podium werd opgestuurd.
Wie “Faking it, the quest for authenticity in popular music” van Hugh Barker en Yuval Taylor leest, komt er achter (of wist het al natuurlijk) dat veel muziek niet zo echt óf niet zo nep is als zij lijkt. Dat de over drie akkoorden uitgekreunde klaagzang van de blues in zekere zin net zo’n marketingbedenksel is als de Spice Girls, is even schrikken, maar we wisten al dat de Sex Pistols en The Police eigenlijk ook boybands waren. Golems van op geldbeluste goochemerds. Net als Take That en N’Sync. Eigenlijk doet de achtergrond er niet veel toe. Het enige dat uiteindelijk telt is de muziek, is die goed of niet?
Alhoewel. Muziek heeft natuurlijk ook zoiets als een aura. Er daar duikt de mythe van het authentieke geregeld op. Soms is het schrikken van je eigen vooroordelen. Ik was er bijvoorbeeld lang van overtuigd dat de uit de tenen geblazen noten op Pat Metheny’s “Every day (I thank you)” uit de sax van Dewey Redman kwamen. Waarom? Er was eigenlijk geen reden voor. Die felle, schurende noten ontroerden mij en ik geloofde oprecht dat deze intense tonen geblazen moesten worden door iemand met scherp levensbesef en heel, heel veel ervaring. Dus moest het Redman zijn die de solo speelde; de oude, zwarte man met zijn grijzende baard en zijn sjofele, blauwe hoedje en dus niet Michael Brecker die er met zijn wollen trui, nette schoenen en metalen brilmontuur er toch wat te frikkerig uitzag. Zoals zo vaak bleken de vooroordelen niet tegen de credits in de hoestekst bestand.
Niets is wat het lijkt. Het enige wat ik weet is dat ik niets weet, zei Socrates en sindsdien is de mensheid weinig wijzer geworden. Neem de onvoorstelbare gewetenloosheid waarmee de Bush’ regering de Katrina-slachtoffers in New Orleans aan hun lot overliet. Zoals de overstroming in St Louis begin twintigste eeuw de treurige inspiratiebron voor een van de beroemdste bluesnummers was, zo staan de verwoestende werking van Katrina en het kwade bloed dat de lafbekkerige houding van Bush en zijn handlangers zette nu aan de oorsprong van veel indrukwekkende muziek. “Bad blood in the city” bijvoorbeeld van James Blood Ulmer. Rauw, puur, emotioneel geladen en diep, diep zwart. Dat zijn precies de kwaliteiten waarin de blues volgens de lepe Lomaxen moest voldoen en luisterend naar die braam op de stem van Blood Ulmer, weet je weer precies waarom. Authentiek of niet, deze muziek raakt je vol in het hart en komt, zeker weten, rechtstreeks uit de ziel.
James Blood Ulmer – “Bad Blood in the city”, Hyena Records, 2007
Hugh Barker, Yuval Taylor – “Faking it, the quest for authenticity in popular music”, Norton Books, 2007
