Chris Speed/Chris Cheek/Stephane Furic Leibovici – Jugendstil
CD-RECENSIE
Chris Speed/Chris Cheek/Stephane Furic Leibovici – Jugendstil
bezetting: Chris Speed klarinet; Chris Cheek sopraan- en tenorsaxofoon; Stephane Furic Leibovici contrabas
opgenomen: juni 2006 in New York City
release: 2008
label: ESP-Disk / Challenge
tracks: 11
tijd: 46.27
website: Chris Speed - www.espdisk.com
door: Rinus van der Heijden
Muziek waarover is nagedacht, daarvoor moet je meestal niet bij jazz zijn. En zeker niet als dit op een intellectuele manier gebeurt. Krijg je musicians music, zoals dat in kleine kring zo mooi wordt genoemd. Soms echter zegeviert het intellect over de gemiddelde smaak. En dan krijg je iets bijzonders, heel bijzonders.
Dat is er aan de hand als je ‘Jugendstil’ beluistert, waar het driemanschap Chris Speed, Chris Cheek en Stephane Furic Leibovici elf composities van Furic Leibovici niet alleen in een intellectueel kader plaatst, maar daar ook nog eens een ongemeen interessant resultaat uit peurt. Dat gebeurt met slechts klarinet, sopraan- en tenorsaxofoon en contrabas. Daarmee wordt het begrip Jugendstil ‘te lijf gegaan’. Deze kunstenaarsstroming die aan het einde van de negentiende eeuw ontstond, plaatst allerlei kunstdisciplines in nieuwe reliëfs met slechts één bedoeling: er nieuwe kunst van maken. Op dit album ‘Jugendstil’ gebeurt hetzelfde: het uitvoerende driemanschap wil muziek tot in al haar uithoeken opnieuw aan de orde stellen.
Dat gebeurt dan ook. De cd begint met vijf ‘Carter Variations’. Daaraan ligt het muzikale gedachtengoed van jazzklarinettist John Carter en avantgardecomponist Elliott Carter ten grondslag. Het zijn miniatuurtjes – een ervan duurt slechts vijftien seconden – die lijken op klassieke études waarin klarinet en saxofoons liggen ingebed in de sonore klanken van de contrabas. De ‘Carter Variations’ zijn de opmaat voor de rest van het album, dat klanklandschappen oplevert, hedendaagse uitgeschreven parten en vrij geïmproviseerde vrijages tussen de twee blaasinstrumenten.
In feite zijn de stukken van Stephane Furic Leibovici geen moeilijke kost. Het zijn luisterwerken, waarbij het er uitsluitend om gaat hoe ze worden ingekleurd. Nergens breekt de muziek uit. Ze ligt integendeel ingebed in de bedachtzaam geplukte noten van de contrabas, die zowel links als rechts de grens aangeeft waarbinnen mag worden gemusiceerd. Stiltes zijn essentieel, de (natte) adem die nodig is om de tenorsaxofoon kleur te geven, wordt effectief ingezet.
De kracht en tevens enige mogelijkheid van deze uitzonderlijke kamermuziek is vastgelegd in de keuze van de musici. De componist kent zijn eigen kunnen, voor de uitvoering van de blazerspartijen had hij geen betere uitvoerders kunnen opsporen dan Speed en Cheek.
