CHANGE
VERHAAL
door: Michael Varekamp
Parijs 1948
Het was aan Eugene Brands te danken dat Jazz zijn intrede deed bij de jonge Nederlandse schilders van Cobra. Brands was tien jaar ouder, had brede interesse en wist al van alles over jazz en wereldmuziek, gaf zelfs jazzcursussen. Maar hij wist ook alles over Afrikaanse kunst, maskers en wat al niet meer. En dat allemaal al ver voor de Tweede Wereld Oorlog. Vergelijkbaar met de positie die de geniale trompettist en componist Dizzy Gillespie zou hebben voor zijn jongere collega’s in de Jazz. In dezelfde tijd.
De Ouderejaars die je bijbrengt waar het echt om gaat in het leven.
Het einde van de Tweede Wereld Oorlog dient zich aan en er breekt onder de jeugd een nieuw gevoel van urgentie uit! Alles moet anders! Uit angst dat we weer teruggaan naar de hiërarchische tijd van voor de oorlog moet alles op de schop. Tijd voor revolutie en emancipatie! Of het nu de zwarte Amerikaanse jazz betreft of de nieuwe generatie kunstenaars in Kopenhagen, Brussel en Amsterdam. Jorn, Noiret, Corneille, Constant, Appel en Dotremont.
Cobra is een feit.
Nieuwe vormen, nieuwe kleuren, nieuwe emoties!
Cobra vraagt om Overgave, niet te verwarren met Professionaliteit.
Het gaat vanaf nu om Waarachtigheid!
Cobra laat zich inspireren door
De spontaniteit van kinderen
Afrikaanse kunst
De ontroering en de tragiek van het volle leven
In feite de Blues.
Zoals Appel zegt ‘Ik schilder als een Barbaar in deze Barbaarse Tijd.’
Spontaniteit en Afrika zijn ook in de Jazz twee fundamenten:
Improvisatie, call & response en diepe grooves en natuurlijk de Blues.
De tragiek van het leven. En dat alles met een meedogenloze mateloosheid.
Schrijvers worden Schilders, Schilders worden Muzikanten en Muzikanten worden Dichters.
Asger Jorn en Jean Dubuffet maken Musique Phénoménal, Lucebert schrijft gedichten, Appel werkt samen met Dizzy Gillespie en John Coltrane zingt A love Supreme door zijn saxofoon.
Maar dat is later. We zijn nu pas bij de opmaat.
Het mislukken van de eerste tentoonstelling in 1949 is het begin van het succes.
Die eerste tentoonstelling loopt aanvankelijk uit op fiasco.
Er is zelfs een vechtpartij en de volgende dag worden alle jonge kunstenaars de grond in geschreven.
‘Samenzweerders! Anarchisten! Bolsjevisten! zijn het. Allemaal.
Kortom, daar moet je geweest zijn. Iedereen gaat alsnog. Mooi of niet mooi.
Om directeur Sandberg te parafraseren:
At the end of the day we had a good glass of jenever and the rest is history.
Amsterdam 1945
Terwijl Brands, Appel, Corneille, Jorn en nog heel wat schilders zichzelf met een kapmes een weg schilderen uit de gevestigde orde - nog voor Cobra - vinden Dizzy Gillespie, Thelonious Monk en Charlie Parker in New York de Jazz opnieuw uit.
B E B O P! B E B O P! B E B O P!
Be bop is snel
Be bop is hip
Be bop is kleurrijk
De jazz heet vanaf nu Modern Jazz
Net zoals Kunst later Contemporary Art
Moderne Kunst
Wat mooi is dat Cobra de gehele Jazz omarmd. Vanaf het prille begin van Joe King Oliver en Jelly Roll Morton tot Nu. Alles is nieuw. De jazz van voor de oorlog was in Nederland tenslotte ook nog betrekkelijk nieuw. Voor de gewone mensen althans. Er word zelfs gerept van Junglemuziek. Apenmuziek.
Precies hoe Cobra in die tijd beledigd, gekleineerd en verguisd wordt.
Modern Art! Modern Jazz! Jazz en Kunst in het Hier En Nu!
Het grijpt de Cobra jongeren naar de strot. Want dat zijn het, jongeren. De meeste zijn twintigers. En ze hebben dingen met vogels. Vooral die Nederlandse tak. Dingen met Vogels en Katten.
Birds & Cats.
Ornithology.
Corneille schildert zelfs een ode aan Charlie Yardbird Parker. Door velen gezien als de meest geniale jazzmusicus ooit. Het werk heet kortweg B I R D.
Naast de vogel is ook de stier een dingetje voor sommige haantjes in de kunst.
Parijs 1950
Nederland is al snel te klein voor de nieuwe lichting schilders. Te klein, te zuur, te bekrompen. De reacties op die eerste tentoonstelling zijn traumatisch. Maar Parijs is op dat moment het kloppend hart van de culturele wereld. Misschien niet meer zoals het geweest is maar het is nog steeds ‘een verademing die je meegemaakt moet hebben’ aldus Simon Vinkenoog.
Net als in de jaren twintig beleeft Parijs nog steeds een invasie van kunstenaars en intellectuelen. Cobra treedt in de voetsporen van geniale Parijsgangers als Ernest Hemmingway, Cole Porter, Josephine Baker, Sydney Bechet.
Ze worden allemaal ontvangen als godenzonen en dochters in het Parijs van de jaren twintig. Miles Davis zit aan de bar met Jean Paul Sartre, deelt het bed met Juliette Greco en wil nog lang niet naar huis. New York immers is vijandig, racistisch en misschien wel bekrompen vanuit de witte macht bezien.
De Nederlandse Cobra schilders zullen en moeten er ook naartoe. Sommigen om nooit meer terug te komen. Fuck Nederland zou men tegenwoordig zeggen. Nomaden. Dat zijn het.
Appel, Corneille, Constant. Lotti van der Gaag.
Met in hun kielzog de Vijftigers. Campert, Vinkenoog, Hugo Claus.
Met zijn allen dag in dag uit in de even stinkende als magische oude fabriek aan de Rue Santeuil op nummer twintig. Een explosieve cocktail van kunst, armoe, liefde, machismo, ambitie en tomeloze vernieuwingsdrang.
Ze vieren straatarm Sinterklaas omgeven door miljoenen aan kunst.
Maar dan nog niet.
Cobra vraagt om Overgave, niet te verwarren met Professionaliteit.
Het gaat vanaf nu om Waarachtigheid!
‘De schilders waren grage praters. De dichters meenden dat zwijgen meer indruk maakte. Willem Ananas (Karel Appel) de schilder, komt. En ook Racine (Corneille). Ze hebben ruzie, ik weet ook niet waarom. Ze brengen hun vrouwen mee en een heleboel andere mensen.
Zuid Afrikanen, Amerikanen, Liberianen, Turken en weet ik veel wat.
En dure alleenstaande meisjes. En voor de schilders heb ik New Orleans en voor de dichters Chet Baker.’
-Remco Campert in Alle dagen feest
Waarachtige jazz en kunst kijkt tegelijkertijd voor en achteruit.
Zij die beweren nooit achterom te kijken liegen dat ze barsten of komen tot niets.
Niets wezenlijks.
‘Een goed artiest steelt, maar zegt nooit waar vandaan.’ -Picasso.
Die jatte die Afrikaanse maskers gewoon uit het museum en plakte ze op de dames van lichte zeden van de Mademoiselle d ‘Avignon. Althans, dat is de mythe. 1907.
En ze lenen van elkaar. Van Picasso, van Chagall, van Miro.
Net als in de jazz. Zonder Louis Armstrong geen Dizzy Gillespie en zonder Gil Evans geen Miles Davis. Er is geen kunstenaar die volstrekt op zichzelf staat. Een verwijt dat Picasso vaak gemaakt werd. Je bent een dief! En dan bedoelden ze dus niet die zaak met die Afrikaanse maskers in Parijs. Je bouwt voort op je voorouders. Natuurlijk lijkt je stem op die van je vader.
Maar die heb je niet gestolen. Die heeft hij je gegeven.
Het atelier aan de Rue Santeuil is een scharnierpunt in de kunstgeschiedenis.
Nee, in de geschiedenis van de mensheid. Een explosief broeinest aan de vooravond van een nieuwe tijd. Het existentialisme staat te popelen maar moet nog even wachten.
Meer ruimte, meer abstractie, meer filosofie. En tegelijkertijd minder van alles.
Ruig. Eerlijk. Ongepolijst.
‘Bedenk het zelf maar’ is de gedachte.
Cobra wil dat het publiek participeert en zich laat meevoeren op de stroom van de inspiratie.
In zekere zin is de gang naar Parijs het einde van Cobra.
In 1951 valt de groep uit elkaar maar de steen in de rivier is verlegd.
Dat vindt ook Dizzy Gillespie die de Be Bop begint te herzien en vermengt met Afrikaanse ritmes en de Blues.
Dizzy Gillespie weet je nog. De Eugene Brands van de Jazz.
New York 1959
In Parijs heeft Miles Davis ondertussen geschiedenis geschreven met de filmmuziek voor Louis Malle’s Ascenseur pour l’echaffaud. Maar het brandpunt voor de kunsten is inmiddels verschoven naar New York.
Miles, Mingus en Coltrane gooien de zaak opnieuw overhoop. We zijn tien jaar verder en die nieuwe sprankelende Be Bop begint al te knellen. Wat eerst nog klonk als nieuwe abstractie klinkt nu als een beklemmend keurslijf met nerveuze akkoorden. De Jazz heeft wat in te halen! Net als de schilderkunst. Cobra bestond ook maar drie jaar.
Miles, Mingus en Coltrane rekken de grenzen van de eens zo nieuwe muziek van Dizzy Gillespie en Charlie Parker provocerend op. De ontwikkelingen gaan zo snel dat ze soms elkaar niet eens begrijpen. Als Miles Davis van John Coltrane de vernieuwde versie van So What dat nu Impressions heet hoort kan hij niets anders dan een verbijsterd They are messing with my music uitbrengen.
De klassieke vadermoord hoewel ze toch bijna even oud waren. Maar Miles had altijd voorgelopen op zijn ontwikkeling. Op ieders ontwikkeling eigenlijk. En de muziek.
De muziek vecht voor nog meer vrijheid. Net als de burger. Onder aanvoering van Malcolm X, Martin Luther King en heel veel anderen dondert het apartheidssysteem in de Verenigde Staten onder luid protest in elkaar.
Die vadermoord hoort trouwens ook bij de schilderkunst. Zo wordt er bijvoorbeeld lustig op los gemodificeerd om met Appel te spreken. Dada door de ogen van Cobra.
Vrij vertaald het ‘verbeteren’ van bestaande kunstwerken. De Mona Lisa met een snor. Duchamp, 1919.
Ook Amerikaanse schilders zitten niet stil.
Jackson Pollock, Willem de Kooning, Franz Kline en Bob Rauschenberg ontketenen hun eigen revolutie met abstract expressionisme en action painting als effectieve wapens.
Now’s the time wordt in moderne bewoording So What.
New York swingt en is the place to be om nooit meer weg te gaan.
Als je iets wil in je leven, als je iets echt wil moet je vanaf dat moment naar New York.
Appel heeft er inmiddels een atelier en hij heeft succes op de Amerikaanse markt dankzij zijn galeriehoudster Martha Jackson. Appel houdt van New York. En New York van hem. En hij houdt van de Amerikaanse schilders. Hij herkent in Pollock een zielsverwant en werkt zelfs enige tijd in zijn atelier op Long Island na diens dood.
Appel struint door de straten van de Big Apple en hangt met een perskaart nachtenlang rond in de lokale jazzscene. Hij maakt portretten van Miles Davis, Dizzy Gillespie, Count Basie, Charles Mingus.
Tijdens het schilderen zet hij zijn radio zo hard dat hij niet meer kan denken. Gedachten worden uitgeschakeld. Hij laat zich overspoelen door die golf van geluid en barst uit in directe spontane improvisaties. Op doek met de tube als kwast. Maar net zo gedisciplineerd als Count Basie met zijn grote orkest. Met een net zo exacte ongeëvenaarde timing.
Zo wil Appel schilderen.
New York en de jazzmuziek zorgen voor een doorbraak bij Appel. Van de troebele dikke zware materie breekt hij door naar de onaffe ruimte. Dezelfde onaffe ruimte die Miles, Mingus en Coltrane muzikaal vormgeven in dezelfde tijd.
De onaffe ruimte van New York.
De weg naar abstractie is definitief in 1959. Althans voorlopig dan. Zoals dat gaat in de kunsten. Als het leven zich in cirkels afspeelt dan zijn we nog maar nauwelijks halverwege.
De ontwikkelingen gaan nog steeds in razend tempo. Bij de geboorte van de modale jazz gloort de free jazz al aan de horizon.
Het is 1962.
‘Monsieur Appèl. Monsieur Appèl!’.
‘Monsieur Appèl.
CODA
I do not paint. I hit!
I do not paint. I hit!
I do not paint. I hit!
Met deze woorden komt Karel Appel binnen bij Jan Vrijman in 1962
De werkelijkheid van Karel Appel
‘Ik werk vanuit de materie. En mijn materie is verf.’
Kijk, het mooie van een schilderij is dat je er omheen kunt lopen
In de Jazz ben je altijd op Reis
In de Jazz heb je altijd Haast
In de Jazz ben je altijd op de Vlucht
Als een opgejaagd dier
New York 1958
Count Basie Dizzy Gillespie
Ja zelfs Miles Davis schuift aan in het atelier van Karel Appel
Dezelfde Miles Davis die ooit na een concert een portret van een welwillend amateurschilder in handen gedrukt kreeg en uitroept
I Hate This Shit!
I Hate This Shit!!!
Ze nemen allemaal plaats in het atelier van Appel
Miles is dan al de Picasso van de Jazz
Net zoals Basquiat later op zijn beurt de Picasso van de schilders genoemd wordt
Fear no mistakes There are none!
Fear no mistakes There are none!
-Picasso
Untitled 1982
Vragende Kinderen
Mademoiselle D’avignon
Picasso schildert zijn tijd zo ver vooruit
Dat hij dit werk pas dertig jaar later durft te laten zien
Dertig Jaar!
Pas in 1937 durft hij dit werk voor het eerst ten toon te stellen
Fear no mistakes There are none!
Fear no mistakes There are none!
In Nederland vinden ze het nog steeds een knoeier
Net als de jongens van Cobra later
‘Dat kan mijn zoontje van vijf ook’
Durft er zelfs een
Niets vermoedend van Taal, Stijl, Lef, Vakmanschap
Maar Appel heeft intussen huizen in
Parijs New York Toscane
Cadmium rood
Violet Blauw
Napels Geel
En PATS! BOEM!
Daar een lijn van Lampen Zwart
Afgemaakt Met
Twee Ogen en een Staart
I do not paint. I hit!
I do not paint. I hit!
I have to change. It’s like a curse (repeat multiple)
I do not paint. I hit. I do not paint. I hit
I hit I paint. I paint I hit. Hit. Paint. Hit. Paint
I hit I paint. I paint I hit. Hit. Paint. Hit. Paint
I hit I hit. I hit I paint. Hit. Paint. Hit. Paint
I hit I paint. I hit I paint. Hit. Paint. Hit. Paint.
