John Butcher’s ‘Octet Breakup’ onderscheidt zich door ingetogen improvisatie
CONCERTRECENSIE. John Butcher’s ‘Octet Breakup’. Amsterdam, Bimhuis, 15 november 2008.
door: Tim Sprangers
‘Ik denk dat het zo moet’ fluistert de geluidsman tegen zijn collega, terwijl een zeurende piep op de achtergrond te horen is. Hij kijkt wanhopig naar de knoppen. En inderdaad, niet veel later laat de turntablist de zagende zoem uitfaden. John Butcher’s ‘Octet Breakup’ grossiert in onconventionele geluiden; instrumenten worden volledig verkend om zo te komen tot onvoorziene individuele en gezamenlijke resultaten.
Het octet van saxofonist John Butcher aan het werk in Bimhuis. Foto's © Henning Bolte
Saxofonist Butcher is afgestudeerd natuurkundige en is in zijn vele projecten constant bezig met de mogelijkheden van zijn instrument. Voornamelijk de laatste jaren is hij actief op het vlak van elektronische muziek, waarmee hij de saxofoon wil herformuleren. Ook in ‘Octet Breakup’ is plaats voor de nodige elektronica van turntablist Dieb13, Thomas Lehn (analoge sythesizer) en bassist Adam Linson. De overige muzikanten hebben alle hun roots in de freejazz: Chris Burn (piano), Clare Cooper (guzheng), John Edwards (bas) en Gino Robair (drums).
Het hele optreden stond in het teken van een zoektocht naar geluiden door de inspiratie van nieuwe geluiden van andere muzikanten. Burn richtte zich voornamelijk op de snaren in zijn piano en Robair wist, zoals Han Bennink, in de tweede set klanken te halen uit de ruiten van het Bimhuis. Het was fascinerend hoe de muzikanten elkaar wisten te verleiden en uit te dagen tot boeiende interacties en beheerste ritmes. Dieb13 kon in de tweede set met een toenemende ruis en minimale beat het geheel opjutten tot een onrustige soundscape en met één verandering de band compleet omgooien tot minimaal gegrien. De fijne kraakjes van Lehn hielden voornamelijk Butcher en Burn bezig.
Slechts enkele stukken werden uitgevoerd door het complete octet. Vaker stond er een duo, trio of kwartet op het podium. Zoals het tweede stuk met Butcher en Linson. De twee hadden een avontuurlijke conversatie waarbij de saxofonist onwaarschijnlijk hoge tonen uit zijn tenorsax haalde; het leek zelfs even op een piccolofluit. Linson richtte zich op ingewikkelde ritmes door met zijn strijkstok onregelmatig op snaren en klankkast van de contrabas te slaan.
Grootste kracht van John Butcher’s ‘Octet Breakup’ is hun ingetogen improvisatie. Waar het groepsgeluid, voornamelijk in grotere improvisatiegroepen, nogal eens wil ontaarden in een totale chaos onder het mom van een gewelddadige wanorde, onderscheidt deze formatie zich door een zorgvuldige en bewuste expeditie naar zichzelf en elkaar.
