North Sea Jazz: Is de jazz op?
NORTH SEA JAZZ 2006, Ahoy Rotterdam, 14, 15, 16 juli 2006
beeld: Geneviève Ruocco
door: Rinus van der Heijden
Als het North Sea Jazz Festival (NSJF) ook na zijn verhuizing naar Rotterdam het grootste (inpandige) jazzevenement ter wereld blijft, is het de komende tijd noodzakelijk de term ‘jazz’ opnieuw te definiëren. Want bij de 2006-editie is het toch al wankele evenwicht tussen jazz en andere muziekstijlen volledig weggeslagen. Pop- en aanverwante stromingen overheersten nu de driedaagse marathon in Ahoy, waardoor de aanduiding ‘jazz’ in de naam de spreekwoordelijke vlag is die de lading niet meer dekt. Is de jazz op? zo mag de vraag luiden.
Wallace Roney, Herbie Hancock, Brandford Marsalis
Toegegeven, de discussie of het NSJF wel andere dan jazzmuziek moet programmeren, barstte al los na de eerste editie in 1976. Maar daar gaat het niet om. Laat aanverwante stijlen rustig voortbestaan naast de hoofdstroming jazz. Essentieel is echter dat een tendens die pakweg de laatste tien jaar inzette, nu een grens heeft overschreden. Je moet het er niet meer over hebben of andere muziek toelaatbaar is, wel hoevéél andere muziek een programmering aankan. Met name de eerste twee dagen van het festival, vrijdag en zaterdag, was het zoeken naar pure jazzartiesten. De zondag maakte daarentegen weer veel goed, dus alle hoop hoeft nog niet vervlogen te zijn.
North Sea Jazz 2006 begon indrukwekkend met een concert van tenorsaxofonist James Carter. Deze Amerikaan, die met elk van zijn concerten blijk geeft van een verbluffende kijk op de jazzhistorie, had nu de muziek van Don Byas als thema gekozen. Deze tenorsaxofonist, die de brug sloeg tussen het tijdperk Coleman Hawkins en John Coltrane, is eigenlijk zwaar onderschat. Carter liet horen hoezeer. Met een snoeihard, je recht in de ziel treffend saxofoongeluid, blies hij het oeuvre van de in 1972 in Amsterdam overleden jazzheld nieuw leven in. Met zijn kwartet met Gerard Gibbs op piano, Ralphe Armstrong op contrabas en Leonard King op slagwerk buitte hij het oeuvre van Byas op een manier uit, die de man zelf niet had kunnen overtreffen. Strelend zacht, uitbrekend en overheersend, alle dynamiek van Don Byas kwam op overdonderende wijze voorbij.
Na een set met zijn kwartet trad James Carter aan met het Jazzorchestra of the Concertgebouw. Interessant, maar het bigbandgeluid van dit Nederlandse orkest onder leiding van Henk Meurtgeert, liet te weinig ruimte voor de intieme setting die de muziek van Don Byas nu eenmaal verdient.
Een overdonderende opening derhalve, ook het slot van het festival mag zo worden omschreven. Tenorsaxofonist Branford Marsalis was dit jaar ‘artist in residence’. Hij speelde vrijdags met het Rotterdam Philharmonic Orchestra, zaterdag nam hij de vierdelige Coltrane-suite ‘A Love Supreme’ onder handen en zondagavond trad hij aan met zijn trio, met Eric Revis op contrabas en Roy Haynes op slagwerk. Wat een concert leverde dat op! De uitsmijter was welhaast historisch. Het jazzmekka New Orleans, getroffen door de orkaan Katrina, speelde een belangrijke rol tijdens NSJF 2006. Marsalis sloot zijn concert af met een compositie in New Orleans-stijl, waarbij klarinettist Dr. Michael White en nog enkele anderen aansloten. Onder aanvoering van opwindende banjomuziek lieten Marsalis c.s. horen dat de bakermat van de jazz heel wat meer is dan hoe goedwillende dixielandorkestjes menen dat oude-stijljazz moet klinken.
Jason Moran, John Scofield, Gregory Ryan
Tussen die twee mijlpalen in kwam de stortvloed aan andere concerten voorbij. Met zoals gezegd vaak bij de neus nemende resultaten. Wat te denken bijvoorbeeld van de goedkope, op effect jagende muziek van de groep Jamiroquai, de koning van de zomerfunk, zoals ooit iemand bedacht? Of de inmiddels tot het rariteitenkabinet behorende Randy Newman? Of de niemendalletjes van de Belgische Puertoricaan Gabriel Rios, zeepbelletjes die drijven op het hitsingletje ‘Broad Daylight’? Of de al jaren op dezelfde roem terende Randy Crawford met haar “One Day I’ll Fly Away’ en ‘Streetlife’? Of de toch niet voor te stellen versie van de Presley-klassieker ‘In The Ghetto’ van Candi Staton? Of de met veel tamtam aangekondigde Bilal, een aanfluiting voor soulmuziek? Of de modernistisch-commercieel ingestelde fusionmusicus Richard Bona, die op zijn bas heel mooi Jaco Pastorius kan naspelen, maar verder wat graait in een potje Afrikaanse muziek? Of, of, of, er zijn nog veel meer voorbeelden waarbij je je kunt afvragen: waarom zijn deze musici naar Rotterdam gehaald.
Dat geldt ook wel voor gitaarheld Jeff Beck, in de jaren zestig en zeventig grondlegger van heavy metal. Maar in Rotterdam toonde hij vooral zijn gitaristische kwaliteiten, vrijwel zonder mannetjesmakerij. In ‘Angels’ klonk zijn instrument de ene keer met de elektronische kaalheid van een synthesizer, een andere keer met de diep doorleefde warmte van een sitar. Met een mouwloos hemdje en in gevechtsbroek trad Beck het veelkoppige publiek tegemoet. Zo van: kom maar op, dit kan ik nog altijd!
George Duke, wiens muziek na dertig jaar veelal klinkt of hij al die tijd niets heeft bijgeleerd, nam op die visie zwaar revanche in een dubbelconcert met Stanley Clarke. Hun versie van ‘Autumn Leaves’ was technisch zo verfijnd, dat het je mond liet openvallen. De razende snelheid van Duke op piano en de staccatotechniek van bassist Clarke pasten als een trouwring om een vinger.
North Sea Jazz moet het vooral hebben van legendes, al zijn er die na al die jaren niet zoveel meer. Een is toch wel Sergio Mendes, een belangrijke vertegenwoordiger van Braziliaanse muziek – een stroming die overigens op deze festivaleditie zowat de gehele noemer ‘wereldmuziek’ omvatte. De wellicht belangrijkste vertolker van jazz, bossa nova en softpop zegt dat hij zich nog altijd wil vernieuwen. Hier deed Mendes dat met de toevoeging van een rapper aan zijn band. Maar wie zijn ‘Mas Que Nada’ en Chove Chuva’ beluistert, hoort nauwelijks verschil met de jaren zestig.
McCoy Tyner, Jack DeJohnette, Pat Martino
Hip, dat willen net tevelen zijn op het North Sea Jazz Festival. Soms pakt dat echter goed uit, zoals bij de RH Factor van trompettist Roy Hargrove. Korte, afgekapte ritmes van een prominente ritmesectie en een doordringend blazerscollectiefje zorgden voor snelle, deugdzame NU-jazz.
Hip, dat wil zeker de Nederlandse trombonist Joost Buis niet zijn. Wel vernieuwend. Hij aanvaardde een compositie-opdracht van het festival, die hij in een bloedhete tent uitvoerde. Zijn tienkoppige groep speelde – zoals van Buis gewend – ongrijpbare, ingenieus gestructureerde, eigentijdse improvisatiemuziek. Daarbij moet je niet meteen weglopen, zoals velen deden. Want dan miste je een juweeltje als ‘Shadow of a Clown’, waarin de fluwelen zachtheid doorklonk van Duke Ellington. Nee, over weglopen gesproken: daarvoor zorgde het Kjetil Moster Sextet nog meer. De Noren speelden een soort powerjazz, vertolkt door twee contrabassen, saxofoon, gitaar, slagwerk en vibrafoon en gestoeld op het erfgoed van John Coltrane en rockmuziek. Hard en meedogenloos verpakt in een ineenstortend klankenimperium. Maar reuze interessant. Dat laatste gold ook voor altsaxofonist Paul van Kemenade, die op NSJF zijn nieuwste project Strings Get Wings presenteerde. Een bijzonder groepje, samengesteld uit twee violen, altviool, cello, contrabas en cajón en met natuurlijk leider Van Kemenade op altsaxofoon. Het is welhaast onontkoombaar dat binnen zo’n samenstelling kamermuziek weerklinkt. Dat deed het ook, maar de grondslag lag toch bij jazz: bedachtzaam opgebouwde strijkcomposities, die door de altsaxofoon liefdevol werden opgevangen en begeleid.
Voor andere gedegen muziek zorgden onder meer het Kenny Wheeler Trio en het trio Larry Coryell, Victor Bailey en Lenny White. De eerste had zangeres Norma Winstone meegebracht, die improviseerde in de stijl van de underground-popgroep Gong. Magisch, bespiegelend en welhaast hypnotiserend. Gitarist Coryell, bassist Bailey en slagwerker White zijn uitgekristalliseerde musici, die ooit meedreven op de golf van jazzrock, maar nu zijn geëvolueerd naar nieuwe muziek, die niet alleen stoelt op de verworvenheden van jazz. Het is vooral ieders persoonlijke visie op hoe improvisatiemuziek moet klinken, die dit tot een van de mooiste concerten van het festival maakte.
Mooie concerten, die gaan vaak gepaard met verrassingen. Een daarvan was een regelrechte klapper: het concert van flamencogitarist Vincente Amigo en het Metropole Orkest. Dit Nederlandse orkest ontpopt zich al sinds enkele jaren tot een muzikale alleskunner. En ook deze combinatie van orkest met sologitarist en zangstemmen was van een adembenemende schoonheid. De felheid van flamencomuziek bleef kaarsrecht overeind; het grote orkest benadrukte de schoonheid ervan en bejubelde die in magistrale orkesterupties. Fantastisch!
Kenny Garrett Quartet, Brandfort Marsalis Quartet, Michael Brecker - Bill Evans
Die laatste kwalificatie geldt ook voor het optreden van Bettye Lavette. Ook zo’n verrassing. In de jaren zestig maakte de zangeres faam binnen de soulmuziek. Nadien werd het stil en gaf het leven haar rake klappen. Nu is ze bezig aan een adembenemende comeback. Zij overtroefde in Rotterdam op alle fronten haar hippe collega Erykah Badu. Emotioneel en diep doorleefd, drijvend op blues en soul, krijgt Bettye Lavette je onafwendbaar in je greep. Haar a capella gezongen visie op het zware leven dat achter haar ligt, was van een onvoorstelbaar indringende schoonheid.
Tot slot de verhuizing van Den Haag naar Rotterdam. De organisatie van het North Sea Jazz Festival is er wonderwel in geslaagd de in jaren opgebouwde, zo specifieke sfeer te behouden. De zalen lijken op die in Den Haag, de podia evenzeer. Het is er allemaal weer: vele verschillende soorten eten, drinken en dure prijzen, dat wel. Groot voordeel is echter, dat er meer ruimte is geschapen. Beschikte het festival in Den Haag over 15.000 vierkante meter, in Rotterdam zijn er dat 23.000. Niettemin besloot de organisatie niet meer dan 70.000 mensen over drie dagen verdeeld, toe te laten. Het werden er uiteindelijk 62.000. De zaterdag was traditioneel uitverkocht, de vrijdag bijna en zondag ‘deden we het wat rustiger aan’, zoals een woordvoerder van de organisatie fijntjes zei.
Opvallend was de goede akoestiek die alle concerten kenmerkte. Dat kwam vooral door zo’n zeshonderd kilometer superzwaar, zwart doek, waarmee op een verrassende wijze de enorme hallen van het Ahoy’-complex in concertruimtes waren verdeeld. En natuurlijk was er de megahal. In Den Haag heette die Statenhal, in Rotterdam Nile. Die Statenhal, die wordt afgebroken, is er de oorzaak van dan NSJF na dertig jaar zijn geboortestad verliet. Nile en al die andere naar rivieren genoemde podia snakken ernaar om de vele duizenden jazzliefhebbers op te slokken. Dat toonde de voorbije editie. En daarom kan het NSJF nog jaren mee, dat zeiden we al aan het begin van dit verhaal. Alleen eh… die naam hè. Geef die asjeblief weer wat meer de juiste inhoud.
- North Sea Jazz website
