De Mythe van het authentieke
COLUMN
door: Mischa Andriessen
Niet lang geleden betuigde collega Rinus van der Heijden hier zijn afkeer van ‘griezels’ als Chet Baker en Herman Brood. Of hun muzikale nalatenschap nu wel of niet ter zake doet, staat, zo bleek, ter discussie. Dat deze twee en met hen vele anderen zich behalve als muzikanten ook als junkie hebben geprofileerd, appelleert echter tevens aan een ander fenomeen dat met name binnen de jazz een belangrijke rol heeft gespeeld; het streven naar het authentieke.
Dat het grote aantal verslaafden in de jazzscene vooral een sociologische oorzaak heeft, staat mijns inziens buiten kijf. Toch is op zeker moment de junk het rolmodel geworden voor de muzikant die tot het uiterste durft te gaan en bereid is zijn leven op het spel te zetten voor de perfecte solo. Zo liet trompettist Red Rodney zich bewust met heroïne in om beter te kunnen begrijpen wat zijn held Charlie Parker speelde. Rodney was daarin beslist niet de enige.
Aan de basis van die instelling ligt het idee dat de levenservaring van de artiest wezenlijk is voor zijn muziek. Waar de meeste klassieke muziek in een werkkamer met een piano, boeken en uitzicht op de tuin wordt gecomponeerd, schraapt (zo wil de mythe) de jazzmuzikant zijn composities het liefste in de kleine uurtjes van de straat. Als het maar zo doorleefd, zo echt mogelijk lijkt.
Je kunt je afvragen hoeveel ervaring er eigenlijk toe doet. Toen hij op een dag twee van zijn bandleden aan een overdosis verloor, dook Neil Young met wat over was van de groep meteen de studio in om “Tonight’s the night” op te nemen. Een authentiekere vertolking van intens verdriet bestaat er misschien niet, een mooiere zeer zeker wel.
Het omgekeerde gebeurt ook. De keurig in pak gestoken Branford Marsalis die heel contentieus met zijn muziek én zijn leven omgaat, is meer dan eens een gebrek aan diepgang aangewreven. Zijn benadering van jazz zou te studieus zijn; te veel ratio, te weinig hart. Zijn vertolking van “A love supreme” verraadt echter diep doorvoelde emotie. Of is het toch vakmanschap? Niets anders dan de juiste noot op de juiste plaats?
Ik betwijfel of je dat kunt herkennen. Dat iemand ontroeren met muziek een kwestie van talent is, valt niet te ontkennen. Er zijn componisten en musici te noemen die schoften van kerels waren, maar de meest gevoelige muziek schreven of speelden, zoals er komieken zijn die zelf nooit lachen en buiten het theater nooit iets grappigs zeggen. Het zoveelste geval van schijn bedriegt.
Op een vorig jaar verschenen DVD-box is te zien hoe Jacques Brel voor ieder nummer een andere pose aanneemt en vervolgens met grote overgave de song vertolkt. Vrolijk, verdrietig, kwaad, gekwetst; elke emotie gaat hem – op commando- even gemakkelijk af. Brel valt daarmee niet door de mand, integendeel, hij bewijst een van de allergrootste te zijn. Authentiek is het echter niet. Brel kruipt in de huid van zijn liederen, hij is die liederen niet zelf. Dat is slechts één voorbeeld. Zo ziet de een Chet Baker als een charlatan en raakt de ander hevig door diens muziek ontroerd en herkent hij daarin het trieste relaas van een verlopen leven of een ongelofelijke beheersing van de trompet.
Misschien is het authentieke op zich geen mythe, maar iedereen die beweert authenticiteit te allen tijde te herkennen, mag op mijn wantrouwen rekenen.
