Sterft mét Joe Zawinul nu ook de jazzrock?
COLUMN
door: Rinus van der Heijden
Nu ze allebei dood zijn, mag het wel eens worden gezegd: het is niks met die jazzrock – of zo u wilt rockjazz - van Miles Davis. Wel de naam hebben als bedenker, uitvinder en uitvoerder, alle eer opstrijken, maar het creatieve werk laten aan Joe Zawinul. Een echte handwerkman, die vorige week overleden toetsenist. Een die de allang platgetreden paden van de jazzrock blééf bewandelen, ze telkens maar weer omspitte en daarbij kans zag - soms - iets nieuws aan te boren.
Het is toch al verdacht terrein, die verrekte jazzrock. Verrekt ja, want sinds parlementariërs losjes met hun taalgebruik omgaan, mogen wij dat zeker ook. Dus nog maar eens: verrekte jazzrock, van onder andere prediker Miles Davis, die er verrekte veel geld mee heeft verdiend. Zeker, de trompettist heeft mooie dingen gedaan met deze in de jaren zeventig ontstane fusievorm. Maar niet zo mooi als bijvoorbeeld John McLaughlin met zijn Mahavishnu Orchestra of inderdaad, Joe Zawinul. Toen deze laatste zich in 1970 meldde met de cultband Weather Report, zette hij meteen de standaard neer waaraan jazzrock moest voldoen: veel technisch kunnen – dat vooral, ja – maar ook snelheid, ritmische hoogstandjes en niet te vergeten mannetjesmakerij: kijk eens hoe goed ik ben, probeer me maar te overtreffen.
Weather Report bleef met zijn concept binnen de grenzen van goede smaak. Musici die na deze groep kwamen, onder wie George Duke, Alphonse Mouzon, Gary Boyle, Steve Kahn en Lenny White werden megasterren, die volle sporthallen trokken en nog vollere portefeuilles. Jazzrock werd handel, megahandel, waarbij de muziek ondergeschikt werd gemaakt aan het grote geld. Je kunt van voornoemde fusiemusici zeker niet zeggen, dat ze een wezenlijk aandeel hebben gehad in de ontwikkeling van de jazzrock.
Miles Davis had dat wel. Ook zijn muziek voldeed aan de eerder genoemde kenmerken van jazzrock, maar de mannetjesmakerij bleef grotendeels achterwege. Wat ervoor in de plaats kwam, was geneuzel. Met name in de laatste jaren van zijn leven maakte Miles Davis er een potje van: met de rug naar zijn publiek gekeerd, liet hij het grove, ambachtelijke werk over aan zijn begeleiders. Om zelf zo af en toe wat klaaglijke tonen aan zijn trompet te ontworstelen. Tjonge, wat een ellende. Zeker voor een muzikant die voordat hij aan de hippe jazzrock begon, jazzgeschiedenis met een hoofdletter had geschreven.
En Joe Zawinul? Hij is met Wayne Shorter wellicht de integerste musicus, die zich op het glibberige terrein van de jazzrock waagde. Ook Zawinul kon uitpakken met duizelingwekkende, op snelheid aangestuurde klankvelden. Maar hij kon ook subtiel uit de hoek komen, met bedachtzame improvisaties. Bovendien bleef hij zoeken, naar nieuwe geluiden, uit nieuwe instrumenten. Toen de computer op zijn weg kwam, maakte hij er als geen ander gebruik van om nieuwe muzikale constructies te bedenken. Bij Zawinul bleef de jazzrock leven, bij al zijn wel of niet nog levende tijdgenoten, stierf de jazzrock een suffe, maar welverdiende dood. Waarbij de vraag rest: worden we bij het verscheiden van Joe Zawinul nu definitief verlost van de jazzrock? Hoop doet leven.
