Slotdag North Sea Jazz bevestigt afscheid van een tijdperk
NORTH SEA JAZZ, Ahoy Rotterdam, zondag 13 juli 2008
beeld: Thomas Huisman, Geneviève Ruocco
door: Mischa Andriessen
De derde dag van North Sea is traditioneel de dag waarop de verstokte jazzliefhebber zijn hart ophaalt omdat op die dag de nadruk meestal op echte jazz ligt. Vorig jaar kende het festival een onvergetelijke slotdag met memorabele concerten van Ornette Coleman, Dave Holland en Joshua Redman. Dit jaar leken de hoogtepunten aanmerkelijk dunner gezaaid. Dat kan natuurlijk een gevolg zijn van de gemaakte keuzes: de kans dat Brad Mehldau en Branford Marsalis teleurstellen is immers niet zo groot.
Een fraai contrast op slotdag North Sea Jazz: Dweezil Zappa die een ode aan zijn vader brengt in Zappa plays Zappa, Alicia Keys, en een van de laatste jazzhelden de vibrafonist Bobby Hutcherson.
Wisseling van de wacht
Toch overheerst de indruk dat de drieëndertigste editie van het festival het zonder megaklappers moest stellen. Daar staat dan tegenover dat de kwaliteit in de breedte op alle drie de dagen hoger was dan in voorgaande jaren. Dat maakt dat er dan misschien weinig absoluut sensationele concerten waren, maar dat er ook weinig teleurstelden. Een troostrijk gegeven, hard nodig ook, want wie vraagt te kiezen tussen Charles Lloyd, Paul Bley en David S. Ware, vraagt wel heel veel besluitvaardigheid van zijn publiek.
Aan grote namen ook dit keer geen gebrek, maar de wisseling van de wacht kondigde zich dit jaar wel heel duidelijk aan. Er staat een nieuwe generatie klaar die door jazz te injecteren met invloeden uit andere genres, heel verfrissende muziek maken die zich niet door conservatoriumgeboden maar door muzikale intuïtie laat leiden.
Is jazz nou dood of hoe zit dat?
‘Jazz isn’t dead, it just smells funny,’ zei de zelden om een oneliner verlegen zittende Frank Zappa ooit. Ondanks zijn soms pittige provocaties aan het adres van de jazz, had Zappa wel degelijk iets met het genre. Hij speelde met ‘cats’ als George Duke en de gebroeders Brecker en componeerde daarnaast een ode aan Eric Dolphy. Natuurlijk wel op zijn eigen wrange humoristische manier. “Eric Dolphy memorial barbecue” is geen titel waar het respect van afdruipt.
Ieder jaar opnieuw is er discussie over het aandeel pop in de programmering van het grootste jazzfestival van Nederland. Alicia Keys, Joe Jackson, Gnarls Barkley; ze hebben allemaal een stuk minder met jazz van doen dan Zappa plays Zappa. Te midden van de eerbetonen aan Joe Zawinul en Rob Madna misstaat deze ode van zoon Dweezil aan vader Frank bovendien beslist niet.
Behalve gitarist Dweezil zelf die al op zeer jonge leeftijd met de grote Zappa mee mocht spelen, bracht deze tribuutband als belangrijke troef zanger Ray White. Waarschijnlijk de meest soulvolle vocalist die Zappa in zijn bands heeft gehad.
Zappa plays Zappa: Ray White, Sheila Gonzalez en Dweezil Zappa. Foto © Thomas Huisman
In een geoliede maar niet al te gelikte show kwamen een aantal hits uit Zappa’s omvangrijke en veel omvattende oeuvre aan bod. Fraaie oudjes als “Don’t eat the yellow snow” en “St. Alfonzo’s pancake breakfast” en latere stukken als “City of tiny lites” uit de tijd dat Zappa vrijwel elk denkbaar genre persifleerde.
Een persiflage was dit concert in geen enkel opzicht. De band benaderde de originelen zeer dicht en ontkrachtte daarmee Zappa’s addagium “You can’t do that on stage anymore.”
Dat is tegelijkertijd een prestatie van jewelste als een punt van kritiek. Wat Zappa tegenstond in jazz was de brave manier waarop volgens voorgeschreven regels werd gemusiceerd. Misschien zou een minder eerbiedwaardige uitvoering van zijn muziek een passender hommage aan de eeuwige plaaggeest Zappa zijn. Behalve een groot componist en onorthodoxe gitaargod was Zappa natuurlijk vooral ook een uitgesproken criticaster van bijna alles en iedereen. Rusteloos in het verkennen van stijlen en genres. Iemand bovendien die zich, zij het met wisselend succes, keer op keer opnieuw uitvond. Dat aspect van deze kleurrijke musicus blijft in deze knappe huldeblijk onderbelicht. Zijn muziek bleef echter zelfs met het slechte geluid van de Maaszaal zonder meer overeind. Meer dan dat. De oude platen zijn weer uit de kast gehaald en worden onophoudelijk gedraaid.
Diepvriesjazz
Meer nog dan het optreden van Zappa plays Zappa was het concert van Phil Woods & Friends gericht op consolidatie. Een knappe blazer Woods, net als collega-altist Jesse Davis trouwens, maar van de onderuitgezakt op een kruk zittende maestro ging weinig uit. De eerste stukken werden meteen een tandje te traag ingezet. De solo’s werden keurig afgewisseld en vlekkeloos uitgevoerd. Jazz die het ongetwijfeld goed zal doen in dure Amerikaanse clubs als Birdland of Blue Note waar je je voor veel geld even terug in de tijd kunt wanen. Diepvriesjazz, niet helemaal smaakloos, maar toch heel wat anders dan vers.
Phil Woods & Friends met Jesse Davis (l). Foto © Geneviève Ruocco
Los en strak
De keuze mocht dan in eerste instantie in het voordeel van de grote naam zijn uitgevallen, het tegenvallende begin van het Phil Woods optreden deed snel besluiten over te stappen naar een van de progressievere acts.
Mark Helias’ Trio ‘Open Loose’ bestaat al heel wat jaren. Met naast bassist Helias, Tom Rainey op drums en inmiddels tenorsaxofonist Ellery Eskelin in plaats van Tony Malaby. ‘Open loose’ is de perfecte naam voor de los-strakke muziek van dit drietal. Helias en Rainey zetten ritmes neer die zich niets van een maatindeling lijken aan te trekken, maar die een opmerkelijke drive hebben.
Daaroverheen speelt Eskelin met zijn prachtige, schorre sound riffs en solo’s die subtiel en gevoelig dan woest en scheurend klinken. De vrijheid die de drie zich permitteren is groot, maar tegelijkertijd opereert het trio zeer hecht. Er vallen geen gaten. Er zijn geen losse eindjes. Elke noot lijkt daar te worden geplaatst waar die nodig is. Het resultaat is onconventionele, heerlijke groovende jazz. Dat er iemand op deze als moeilijk gecategoriseerde muziek heel het optreden wild stond te dansen, is op de goede manier veelzeggend.
Held met stokken
Vibrafonist Bobby Hutcherson is een van die laatst overgebleven jazzhelden die we volgens de presentator in de Hudson moeten koesteren. Dat zo’n groots muzikant geen zaal toegewezen krijgt die gevrijwaard blijft van storend lawaai uit andere zalen, is een vorm van disrespect die zowel Hutcherson als North Sea onwaardig zijn. Het is al eerder gezegd, maar waar de overgang naar Rotterdam heel veel goeds met zich mee heeft gebracht, blijft dit een zorgelijk punt.
Het Bobby Hutcherson Quartet met Joe Gilman en Glenn Richman. Foto © Geneviève Ruocco
Terug naar de muziek. Een opmerkelijk vitaal ogende Hutcherson gaf een zeer gedegen, maar tevens levendig optreden. De wringende harmonieën waarmee hij in de jaren zestig furore maakte, behoren echter tot het verleden. Wat is gebleven zijn het vakmanschap en toch ook zijn energie. Hutcherson en zijn drie begeleiders maakten zich er niet makkelijk van af, al daagden ze elkaar ook niet uit. Van de bezetting drum, bas, piano en vibrafoon moet je houden. Zeker als het avontuur niet zeer wordt gezocht, leidt die veelal tot een bedeesd soort kamerjazz.
Zo ver lieten Hutcherson en zijn mannen het zeker niet komen. Een teleurstelling was hun optreden allerminst. Sensationeel was het ook niet. Niet omdat het niet goed was, maar soms werkt een roemrucht verleden domweg tegen.
Eigen draai aan de traditie
De opmerkelijke bezetting accordeon, trompet en cimbalom laat al zien dat het Nederlandse STriCat geen doorsnee jazz maakt. Het trio combineert op een prettig eigenwijze manier invloeden uit volksmuziek en de jazztraditie en bewijst daarmee dat Thelonius Monk en Roemeense muziek uitstekend samen gaan. Geen van de instrumenten is totaal ongebruikelijk in de jazz. De Hongaarse saxofonist Mihály Dresch heeft bijvoorbeeld heel mooie platen gemaakt met een cimbalom in de bezetting. Het leuke van STriCat is echter dat de manier waarop Bokkie Vink dit instrument bespeelt reminiscenties aan heel oude jazz oproept. Bij vlagen doet het instrument namelijk aan een banjo denken waarmee de link naar New Orleans jazz niet ver weg is.
StriCat: Theo van Tol, Bokkie Vink en Gijs Levelt. Foto © Thomas Huisman
De grote kracht van dit trio is echter vooral dat dergelijke verwantschappen vooral toevallig en niet gezocht lijken. Trompettist Gijs Levelt en accordenist Theo van Tol spelen al geruime samen, onder meer in de Amsterdam Klezmer Band. Beide hebben veel ervaring met het spelen van Oost-Europese muziek, iets dat duidelijk tot uiting komt in souplesse waarmee ze musiceren. Ook Bokkie Vink is alles behalve een onbekende met muziek uit de Balkan. De manier waarop de drie een eigen draai aan de traditie geven, is bewonderenswaardig. Het levert muziek op die toegankelijk is en prettig in het gehoor ligt, maar die tegelijk heel avontuurlijk is.
All-stars zonder allures
Sommige muzikanten moesten dit jaar veelvuldig aan de bak. Drummer Antonio Sánchez had al twee optredens met Pat Metheny achter de rug toen hij met zijn eigen kwartet mocht aantreden. Daarin speelden tenorsaxofonist David Sánchez die zowel met zijn eigen band als het kwintet van Kenny Werner had opgetreden en bassist Scott Colley die ook al met de laatstgenoemde groep had gespeeld. Alleen altist Miquel Zénon stond alleen voor dit concert geboekt.
De van oorsprong Mexicaanse drummer is al jaren een veelgevraagd muzikant, die behalve met Metheny bijvoorbeeld ook met de trio’s van Scott Colley en Joshua Redman eerder al in Nederland te zien was. Vorig jaar verscheen zijn debuut als bandleider, het goed ontvangen “Migration”.
Sánchez zette meteen stevig in met een snel nummer waarin Zénon een van zijn kenmerkende, flitsende solo’s speelde, gevolgd door een meer ingetogen solo van David Sánchez. Beide Puerto-Ricanen zijn zeer gedreven en kundige blazers en hoewel de rijzende ster van Zénon zijn wat oudere collega enigszins in de schaduw heeft gezet, maakte de veelzijdiger Sánchez meer indruk.
Miguel Zénon, Antonio Sanchez, David Sanchez. Foto © Thomas Huisman
Het verschil tussen temperament (Zénon) en diepgang (Sánchez) kwam ook in de composities naar voren. In de snelle stukken overheerste de virtuositeit en ging de energie toch gedeeltelijk ten koste van het verhaal. Het tragere werk bood boeiender harmonieën van waaruit evenwichtiger solo’s konden worden opgebouwd. Die stukken waren volledig in balans en maakten de faam van dit sterkwartet helemaal waar.
Rijzende ster
Down Beat riep haar al uit tot ‘number one rising star on clarinet.’ De jonge Israëlische klarinettiste en saxofoniste Anat Cohen is inderdaad een grote belofte. Als afsluitende act op de zondag had zij zware concurrentie van Branford Marsalis en Oregon, maar desondanks was de spiegeltent waar zij optrad bijzonder goed gevuld.
Zo ongeveer iedere artiest vertelt blij te zijn dat ie speelt waar ie speelt, maar bij Cohen spatte het enthousiasme er werkelijk van af. Ze is een ontwapenende verschijning die zo te zien heilig in haar muziek gelooft.
Haar vorig jaar tegelijkertijd uitgebrachte cd’s “Noir” en “Poetica” lieten weliswaar een niet te missen glimp van haar grote talent zien, maar vooral de eerstgenoemde plaat is toch wel wat braaf. Daarbij is ze ook nog zoekende naar een eigen stijl. Beide cd’s bevatten heel uiteenlopende nummers van Jacques Brel tot Coltrane. Van Nat King-Cole tot Sun Ra en bovendien veel Latin.
Op North Sea speelde ze met haar kwartet waarin de eigenzinnige bassist Omer Avital helaas werd vervangen door Joe Martin. Daniel Freedman is een drummer met een relaxte en lichte stijl en pianist Jason Lindner is een inventieve lyricus die voor een sfeervolle ondersteuning van Cohens beheerst geblazen maar met zeer veel geestdrift gespeelde solo’s zorgde. De jonge blazer zal zich in de komende jaren zeker nog meer doen gelden. Haar optreden was typerend voor de drieëndertigste editie van North Sea jazz waarop vooruit kijken veel bevredigender bleek dan terug blikken.
- North Sea Jazz website
