GOD BLESS THE CHILD
VERHAAL
door: Michael Varekamp
1941 God bless the child. Billie Holiday zingt het uit haar tenen. Als er niemand meer is, is er altijd nog die Ene.
De Jazz en onze lieve heer staan op goede voet met elkaar. Het is de aard van het beestje. Louis Armstrong maakte er al grappen over. Over het bestaan van God maar bovenal over zijn eigen sterfelijkheid of het eventuele ontbreken daarvan. When I die Gabriel better watch out because I’m gonna blow him of his socks.
Zo zal het ongetwijfeld gegaan zijn toen Louis eenmaal in de hemel arriveerde in 1971. Met de bravoure en de wijsheid van een kind dat opgroeide in de slechtste wijk van het New Orleans van de vorige eeuw en dat pas op zijn elfde voor het eerst een paar eigen schoenen bezat. Louis kon niet anders zijn dan lief en spijkerhard tegelijk. Dat lieve was eigenlijk een bonus, een gelukje. Een geste van God. Tegelijkertijd zijn er tal van getuigenverklaringen van overlevenden uit concentratiekampen die een totale afwezigheid voelden van wat voor God dan ook. Zo ook voor nazaten van de slavernij. Tegelijkertijd moet gezegd dat velen juist steun vonden bij diezelfde God die hen honderden jaren eenzaam liet struggelen.
Toch zijn de Verenigde Staten sinds haar begin diep religieus. Vanzelfsprekend dat er ook historisch gezien diepe sporen lopen van de Jazz naar de schepper. Stevig verankerd in het DNA van Amerika’s zwarte muziek, nauw vervlochten met geloof in een heiland die je hand vastpakt op het moment dat je er moederziel alleen voorstaat en geen idee hebt van hoe nu verder. God loopt als een rode draad door de Amerikaanse muziekgeschiedenis. Of het nu gaat om Willie Nelson, Marvin Gaye of Ella Fitzgerald.
Allen lieten zich inspireren of brachten op hun eigen manier een ode aan de Grote Baas.
Er zijn ook donkerder varianten. Volgens de overlevering verkocht blueslegende Robert Johnson zijn ziel aan de duivel, midden op een kruispunt op het platteland van Mississippi. En inderdaad kwam hij een paar jaar later triest aan zijn eind onder mysterieuze omstandigheden. De kiem voor zijn reputatie als grondlegger van de blues was toen echter al gelegd. Me and the Devil Blues is het beruchte meesterwerk van zijn laatste recording session vlak voordat hij zou sterven als een van de eerste leden van de 27-Club.
Early this morning
When you knocked upon my door
Early this morning, oooo
When you knocked upon my door
And I said hello Satan
I believe it's time to go
Me and the Devil
Was walkin' side by side
Me and the Devil, woooo
Was walking side by side
And I'm going to beat my woman
'Til I get satisfied
Net zoals een oude natuurgodsdienst is ook de blues holistisch van aard. Goed en kwaad gaan hand in hand. Johnson denkt zijn vrouw te moeten slaan in de hoop dat alles dan toch nog goed komt op de een of andere manier. Bijna als een macabere boetedoening in een boosaardig sprookje. In het echte leven verloor Johnson als tienervader zijn vrouw en kind. Afgezet tegen de armoede en het wijd verbreidde racisme van de jaren dertig moet dit een bizarre en complexe tijd zijn geweest. Juist daar waar het ging om een ingewikkelde cocktail van goed, kwaad en eventueel gerechtigheid.
De smerigste Blues, de lekkerste Jazz of de kleurrijkste Gospel. Ze gaan over overleven al loopt lang niet altijd alles goed af. Toch gaan we door tot we erbij neervallen. Ownership van je eigen slachtofferschap. Het enige dat niemand je af kan pakken. Zelfs niet tijdens de keiharde jaren van de slavernij toen niemand meer iets had en nauwelijks nog iemand was.
I swear I won't call no copper
If I'm beat up by my papa
'Tain't nobody's bizness if I do
If I go to church on Sunday
Then just shimmy down on Monday
Ain't nobody's bizness if I do
1923 Bessie Smith
1900 New Orleans ruim voor de drooglegging. Zondagochtend. In de kerk spelen dezelfde musici als
de nacht ervoor in de swamps rond de havenstad. Van schemer tot zonsopgang hebben ze hun gehoor in een hypnotiserende greep gehouden daarbij opgezweept door een combinatie van klanken, rituelen en tovenarij.
Aangespoord door Marie Laveaux, dochter van de legendarische voodoopriesteres met dezelfde naam.
Zij is het die tijdens nachtenlange seances het universum aanroept om de dood te bezweren. Het lijkt ver weg maar het is niet zoveel anders als het paasverhaal. Het verlangen naar wederopstanding is universeel en van alle tijden.
2000 Ik ben in New York en sta voor de Presbyterian Church op Fifth Avenue, downtown Manhattan.
Het is gewijde grond en ik sta erop. Misschien is NYC wel de meest ongelovige stad in de Verenigde Staten. Toch wemelt het ook hier van de kerken. Miles Davis’ Kind of Blue werd erin opgenomen, Thelonious Monk werd er begraven en Duke Ellington liet hier ooit zijn Sacred Concerts in première gaan. Een kolkend meesterwerk waarin jazz, gospel en religie eensgezind toewerken naar een daverend einde waarbij het lijkt alsof God zelf uit de hemel komt om een kijkje te nemen. Het is een oud cliché maar het is waar.
Amerikaanse jazz klinkt zoals ie klinkt omdat menigeen in de kerk zijn eerste muzikale voetstappen zet tijdens eindeloze diensten, services en wat al niet meer waarbij de grenzen tussen kerk en jazzclub regelmatig vervagen. Iedere kerk heeft een band en een goeie ook. Sam Cooke leerde het vak in zo’n kerk, net als Etta James, Ray Charles en talloze anderen. Daarnaast is er het allesoverheersende gebrek aan een stevig sociaal vangnet. Amerika is doordesemd van de klassieke combinatie van kerk en kapitaal. Met iedere klap van de drums wordt de altijd op de loer liggende ondergang op afstand gehouden. Zowel mentaal als economisch.
Dat gevoel is op de regenachtige zondagochtenden in de kerk van mijn jeugd ver te zoeken. Het is een herkenbaar beeld voor Iedereen die wel eens een witte én een zwarte kerk van binnen heeft gezien.
In ons deel van de wereld gaan we op dat vlak geen oorlog winnen. In ieder geval niet een die over zaken als muziek, swing en expressie gaat. Bij iedere keurige protestantse dienst die ik bijwoonde begreep ik er steeds ietsje minder van. De zurige lucht die er hing, het karige psalmboek (niet dat het niet dik genoeg was) of het gemurmel dat door moest gaan voor zingen. Maar wat ik het meest niet begreep was het totale gebrek aan geestdrift. Nee, dan Mahalia Jackson. Die bezingt in haar eentje het hele leven. Het leven aan deze en desnoods aan gene zijde. Voorzien van alle schoonheid, lelijkheid en worsteling die daarbij hoort. Niks ijdele hoop! Alle registers open door merg en been.
Alsof je het geweten van de jazz of misschien wel van het hele bestaan in levenden lijve mag aanschouwen.
Mahalia was veertien toen ze eigenhandig door God werd geroepen om te gaan zingen. Zo gezegd zo gedaan.
1970 Mahalia staat op het fameuze Newport Jazz Festival even buiten New York. Er is een filmpje van.
Het is ook de verjaardag van Louis Armstrong. Ze is een beetje aangeschoten en roept Louis op het podium.
Hij krijgt een minutenlange staande ovatie en maakt een ereronde alsof hij aan het einde van zijn leven is beland. Dat zou later ook blijken waar te zijn. Op de achtergrond stijgt de band tot steeds grotere hoogte op het meeslepende He got the whole world in his hand. Een prachtige dans van twee verlichte geesten die zijn ontsnapt aan de zelfkant en het kwaad op eigen kracht overwonnen hebben. In al haar glorie en gratie is het een troostrijk tafereel. En het is ook wáár. Als je Louis hoort dan voel je je een beter mens. Wanneer je Mahalia hoort zingen dan wéét je dat je mag zijn wie je wilt zijn. What a wonderful world doet je beseffen dat je goed bent zoals je bent. En dat je er niet alleen voor staat. Zoals jij zijn er nog duizenden.
Het geluid van de Hope. Precies zoals in Gospel.
Een universele boodschap van liefde.
We shall overcome.
Het concept van de hoogmis duikt regelmatig op in de Jazz. Duke Ellington en Wynton Marsalis componeerden suites compleet met bigband, koor en een goedgebekte voorganger. Maar zo zijn er meer. Louis maakte The Good Book, Dr. John draaide zijn hand niet om voor een bevlogen versie van de hymne Just a Closer Walk With Tee en John Coltrane schreef geschiedenis met A Love Supreme, een rauwe ode aan het geloof en een aanklacht tegen racisme ineen. In de Soul is het niet anders. Van Wilson Pickets’ Lord Pity Us All tot Precious Lord Take My Hand van Aretha Franklin. Maar de devotie gaat nog verder. Solomon Burke is bisschop in zijn eigen God For All People Church en Al Green bekeert zich tot de Gospel na mishandeld te zijn door zijn vriendin die daarop zelfmoord pleegt. Green zag hierin de hand van God en werd prompt dominee.
Zo bekeken is Gospel misschien wel de ruggengraat van de Amerikaanse muziekindustrie. Industrie want het is natuurlijk ook business. Organist Jack McDuff verandert zijn naam van Brother en Captain naar Reverend Jack McDuff als eenmaal blijkt dat je geen belasting hoeft te betalen zolang het in naam van de heer is.
Ruggengraat en een muzikale variant op de erfzonde. Baby please come back to me. I will never do it again.
In de roerige jaren zestig voorzagen de revolutionaire predikers Dr. Martin Luther King Jr. en Malcolm X zwart Amerika van nieuwe hoop. Vooral die laatste brak met de traditionele voorstelling van Jezus als blonde god met helblauwe ogen. Gezien de ligging van het heilige land moest Jezus natuurlijk wel een zwarte man zijn geweest. Zeker naar de destijds populaire racistische opvatting dat je met een druppel zwart bloed in feite al onrein was. Daarnaast had X in een tijd waarin apartheid hoogtij vierde ook geen boodschap aan diens filosofie om consequent de andere wang te tonen. Wat heeft dat voor zin als je toch al weet dat je als het even kan opgeknoopt wordt aan de hoogste boom of desnoods levend wordt verbrand. Malcolm maakte aanvankelijk onder de vlag van de Nation of Islam naam met vlammende speeches in de straten van New York. Net als Martin Luther King brengt ook hij duizenden mensen op de been.
Veel jazzmusici raken geïnspireerd en veranderen hun naam. Soms als rage vanuit de behoefte een persoonlijk verschil te maken, soms permanent vanuit een diepe levensbeschouwelijke overtuiging. In ieder geval altijd als fel protest tegen het onmenselijke apartheidssysteem dat nog immer heer en meester is in de jaren zestig.
Art Blakey wordt Abdullah Ibn Bhuaina (later simpel verbasterd tot ‘Bu’), pianist Fritz Jones verandert zijn naam in Ahmad Jamal en McCoy Tyner wordt voor een tijdje Sulaimon Saud. De uit Birmingham Alabama afkomstige bandleider Herman Blount overtroeft iedereen. Die bedacht dat hij uit de ruimte kwam (wat technisch natuurlijk waar is) en formeert een band met daarbij een commune die fungeert als safe haven in roerige tijden. Alles om te ontsnappen aan het blanke juk van een partijdige god.
Hoe verschillend de nieuwe charismatische zwarte leiders ook zijn, ze beroepen zich alle twee op het gelijk van hun god. Alsof zelfs de mensenrechten niet kunnen zónder. Het zegt veel over de Amerikaanse samenleving die veel moois voortbrengt maar die maar niet loskomt van de keiharde breuklijnen tussen kerk en kapitaal enerzijds en de rest van de samenleving anderzijds. Malcolm X weet net als zijn veel toegankelijker evenknie veel van de heersende onvrede te kanaliseren. Totdat het hem fataal wordt. Op een kwade dag in Manhattan wordt hij van dichtbij doorzeefd om later onder het oog van een 30.000 koppige menigte begraven te worden in de Faith Temple of the Church of God in Christ in zijn geliefde Harlem. Een paar jaar later wordt zijn verzoeningsgerichte tegenpool eveneens koelbloedig doodgeschoten. In het fameuze Lorraine Motel in Memphis is er ook voor King geen ontkomen aan. Vlak daarvoor schrijft soulzanger Otis Redding aan het zwembad van uitgerekend dat hotel zijn grootste hits. Ook dan is de ontreddering groot. Ieder sprankje hoop dient vernietigt te worden is de meedogenloze boodschap. De KKK gaat ondergronds maar trekt nu vijftig jaar later weer aan belangrijke touwtjes. Dit keer als witgewassen partner van de overheid.
1999 Ik speel in een kerkje ergens in het zuiden. Het betreft een gospelconcert met een fantastische
Afro-Amerikaanse zangeres. De zaal knalt uit elkaar van zoveel passie en charisma. We bevinden ons in een achtbaan van emoties ter eer en meerdere glorie van God en zijn enige zoon. Het publiek juicht, klapt, schreeuwt en raakt steeds verder in de ban van deze vrouw. Het kerkje is inmiddels veranderd in een hogedrukketel die gierend dreigt over te lopen. Eenmaal op het kookpunt begint de ster van de avond te kreunen. Ze is doorweekt van het zweet, beweegt steeds spastischer en haar woorden zijn inmiddels onsamenhangend geworden. Alsof ze in tongen spreekt. Uiteindelijk stort ze met rollende ogen midden in het gangpad ter aarde.
Ondertussen zijn wij al die tijd door blijven spelen maar schrikken we ons nu een ongeluk.
Terwijl ze lijkbleek schokschouderend door het middenpad kronkelt alsof de dood haar op de hielen zit,
stormt de concertorganisator ongerust op de zangeres af.
Misschien heeft ze behoefte aan een glaasje water.
No man! Just give me the money.
Just give me the money. We hadden evengoed een topdag.
Even later keerde de menigte huiswaarts in het rotsvaste vertrouwen dat er beslist meer is tussen hemel en aarde.
Foto © Peter Putters