Tineke Postma ontkomt niet aan zekere middelmatigheid
CONCERTRECENSIE. Tineke Postma Quartet, Paradox Tilburg, 15 februari 2013.
beeld: Gemma Kessels
door: Rinus van der Heijden
Zoals wel vaker het geval is, was de toegift van het Tineke Postma Quartet tegelijk het hoogtepunt van het concert. In ‘Cançao do Amor’ van de Braziliaanse componist Heitor Villa-Lobos bedreef sopraan- en altsaxofoniste Tineke Postman de liefde met de jazz; vol overgave, gepassioneeerd, ongeremd en met een hartstocht die de rest van de avond niet had misstaan.
![]()
Het Tineke Postma Quartet in Paradox, met contrabassist Clemens van der Feen.
Want hoewel Tineke Postma een nagenoeg uitverkocht Paradox volledig op haar hand kreeg, werd haar concert gekenmerkt door een zekere middelmatigheid. Niet in haar technisch fraaie uitvoering en ook niet in het enthousiasme en de inzet waarmee zij haar publiek benaderde. Wel in het feit dat zij zichzelf nergens de ruimte gaf uit te breken en de schoonheid die zij zichzelf oplegt, even terzijde te schuiven.
Veilig
Tineke Postma met haar begeleiders Marc van Roon op piano, Clemens van der Feen op contrabas (als vervanger voor vaste kracht Frans van der Hoeven) en Martijn Vink op slagwerk, kozen duidelijk voor de veilige kant van de jazz. Geen gescheur derhalve op saxofoons, geen opwindende inspiraties van de piano, geen ondergravende acties op de contrabas. Wél geducht weerwerk van Martijn Vink op slagwerk, maar hoezeer hij ook ranselde, de hakken in het zand zette en de zaak op zijn manier ontregelde, in zijn eentje kon hij het concert nergens de grens van het avontuurlijke niemandsland dat goede jazz kenmerkt, over trekken.
Tineke Postma’s uitgangspunten lijken op die van de bijna anderhalf jaar geleden overleden Piet Noordijk. Hoewel deze altsaxofonist aan het begin van zijn carrière met onder andere Misha Mengelberg de experimenten in de jazz zocht, keerde hij nadien terug in zichzelf: het was Noordijk er meer om te doen zijn publiek te laten horen hoe mooi een altsaxofoon kan klinken dan er revolutionaire klanken aan te ontlokken. Zijn door de jaren alsmaar groeiende techniek en zijn houding als gentleman in de jazz stelden hem daartoe ruimschoots in staat.
Tineke Postma roept onweerstaanbaar herinneringen op aan Noordijks spel. Ook zij koestert de schoonheid van melodie en harmonie, zij beweegt zich het liefst in het middenregister van haar instrumenten en gaat daarbij risico’s (bewust?) uit de weg. Maar haar verrichtingen op zowel sopraan- als altsaxofoon roepen bij grote aantallen van haar toehoorders warme gevoelens op.
![]()
Marc van Roon, Tineke Postma en Martijn Vink.
Wellicht daardoor kregen de aanwezigen in Paradox datgene waar zij voor kwamen. Voeg daarbij de vriendelijkheid en het gemak waarmee Tineke Postma haar publiek toespreekt en een zekere genegenheid komt dan vanzelf om de hoek kijken. Eenzelfde genegenheid leek de saxofoniste ook te hebben voor haar begeleiders. Met name gold dat voor Marc van Roon die té vaak ruimte kreeg om te soleren. Hoewel de pianist zijn plaats in de wereld van de Nederlandse jazz zeker heeft verdiend, is hij geen krachtpatser die Tineke Postma uit haar liefdevolle volkstuintje kan trekken. Van Roon is een volger, die zijn kans grijpt in de uitgebreide soli die hem werden toebedeeld, maar binnen de groepsklank niet meer doet dan braaf begeleiden.
Martijn Vink
Hoe anders was dat met Martijn Vink. Hij is creatief, brutaal, aangevend, verstorend, uitdagend en zelfbewust, niet van plan zich binnen kaders te laten vangen en daardoor onvoorspelbaar voor een solist. Toch kreeg hij – zoals eerder opgemerkt – het improvisatieschip Postma niet vlot getrokken. Jammer was dat, want in twee lange intro’s toonde Tineke Postma dat zij zeker de kwaliteiten in huis heeft om haar muziek aan de woelige baren prijs te geven. Misschien moeten we geduld hebben om over enige jaren te constateren dat zij het omgekeerde carrièrepad van Piet Noordijk bewandelt.
