Royal Improvisers Orchestra: frisse progressieve improvisatiemuziek
CONCERTRECENSIE. Royal Improvisers Orchestra & Han Bennink & Steve Beresford, Bimhuis, 27 juni 2009
beeld: Elton Eerkens
door: Rosa Groen
Het democratisch georganiseerde Royal Improvisers Orchestra (RIO) is een nieuwe impuls in de avant-gardistische jazz. Een internationaal en jong gezelschap, dat wordt toegejuicht door gevestigde musici.
Harpiste Berta Puigdemaza, slagwerker Han Bennink en fluitist Rodrigo Parejo maken deel uit van het Royal Improvisers Orchestra dat afgelopen zaterdag in het Bimhuis optrad.
Multi-instrumentalist Steve Beresford dirigeert het achttienkoppige orkest. Geconcentreerd kijken de jonge muzikanten zijn kant op, instrumenten in de aanslag. Beresford wijst op zijn hoofd als het even moet stoppen. Als er een chaos ontstaat, duurt dat meestal maar even.
Han Bennink speelt mee en laat als een kind zijn drumstokjes van de trap vallen. Het geluid dat wordt veroorzaakt, heeft directe gevolgen. Harpiste Berta Puigdemaza rammelt aan haar harp, de Amerikaanse saxofonist John Dikeman schreeuwt er kort doorheen voordat hij wat lange noten uit zijn sax blaast. Ook pianist Oscar Jan Hoogland, volgens Bennink een van de grootste beloften van het orkest, pakt een solo. Tot de dirigent de zangeressen inzet en de rest tot stilte maant.
RIO heeft een eigen concept. Telkens gaat er iemand voor de groep staan om de muziek te dirigeren. „Zo kan iedere muzikant een ander stuk neerzetten”, legt bandleider Yedo Gibson uit. De Braziliaanse saxofonist speelde eerst in de Engelse variant The London Improvisers Orchestra (LIO) voordat hij twee jaar geleden het in Nederland opererende orkest opzette. In Londen leerde hij Beresford kennen. Om iets toe te voegen aan het optreden, lieten ze Han Bennink en Beresford met het dirigentenstokje zwaaien.
Het klopt: geen nummer lijkt op elkaar. De ene keer is het heftig, dan weer rustig en soms luisteren de muzikanten niet eens naar de dirigent. „Het is een soort tropisch paradijs waar je in belandt”, vindt Beresford. Ondanks de grote bezetting spelen ze niet dwars door elkaar heen, maar vullen elkaar juist aan. En vaak doen ze helemaal niets. Mooi effect van het weglaten van initiatieven is dat er steeds kleine groepjes ontstaan die iets inzetten en uitwerken, zonder dat er een gefragmenteerd geheel ontstaat. Zo gaat de sfeer moeiteloos over van een gejaagde stadsmarkt naar een rustig Frans bergdorpje. Soms maakt de groep ook lelijke geluiden, of in elk geval harde. Het is dan niet meer een kakofonie, maar een geluidsmassa. Ze mijden geen gekke akkoorden of halve noten. De zangeressen en de ritmesectie zorgen voor boeiende klankkleuren en een rijke ideeëninbreng.
Steve Beresford, Oscar Jan Hoogland, Raoul van der Weide.
Bennink vindt het fantastisch. Als hij dirigeert doen de muzikanten, volgens afspraak, juist niet wat hij zegt. Ze hebben codes afgesproken met elkaar, die Bennink niet kent. Maar lol hebben ze sowieso. Bennink wijst steeds één persoon aan, die een kort geluid maakt. Na alle muzikanten achter elkaar te hebben gehad begint hij opnieuw, van rechts naar links. Op ritme. Na een flink ritmisch geheel te hebben op gezet, gaat hij op de grond zitten om mee te spelen. Bennink, na afloop: „Het is goed dat het Bimhuis deze groep programmeert. Op die manier krijgen deze jonge mensen de kans.” Opmerkelijk element aan RIO is dat de muzikanten uit elf verschillende landen komen en, op de bassist na, onder de dertig zijn.
Bassist Raoul van der Weide: „Er is geen hiërarchie in het orkest en dat is superinspirerend. Deze jonge mensen zijn positief ingesteld, respectvol. Ze klagen niet, er is openheid en er heerst een sfeer van kritische beschaafdheid. De muziek komt voort uit een gevoel van noodzakelijkheid. Het onverwachte element maakt dat het kunst is. Het orkest is ‘altermodern’, het postmodernisme voorbij.”
