#49
VERHAAL
door: Michael Varekamp
Zomer 1978 Ik was nog net geen tiener toen ik stiekem opzichtig een grote doos het huis binnengedragen zag worden. Vader liep uit zijn werk bij binnenkomst geheel tegen zijn gewoonte in direct de trap op naar zolder. Zelfs zijn stropdas bleef om terwijl normaal gesproken die toch als eerste afging hetgeen er in het kort op neer kwam dat hij het ding in de auto toch al die tijd nog om zijn nek moest hebben gehad. Het zou overigens nog jaren duren voordat prins Claus voor het oog van de natie met zijn laatste krachten demonstratief de zijne af zou doen. Het bleek een heldendaad want hiermee bevrijdde de broze prins-gemaal behalve zichzelf onbedoeld een hele generatie. Daar kon zijn schoonvader en geveinsde verzetsheld nog een puntje aan zuigen.
Hoe dan ook. Hartje zomer ‘78 - in hindsight mijn persoonlijke summer of love - komen mijn ouders met de boodschap op de proppen dat na jaren van nodeloos blokfluiten ik nu dan toch een ‘echt instrument’ mag kiezen. Nu ben ik al hopeloos verliefd op de muziek van Louis (Armstrong) dus dat komt goed uit, maar toch word ik overvallen door deze onverwachte kans op revanche. Hoewel enigszins beduusd is de keuze snel gemaakt. Aan de troosteloze periode van piepen en knarsen komt nu vast spoedig een eind, viert mijn binnenste alvast feest. Mijn kinderbrein en ik hebben meer dan eens geconstateerd dat een muzikale carrière voor mij niet is weggelegd, maar met deze nieuwe mogelijkheid valt er plots toch een plukje licht uit de donkere blik van de muze. De volgende nacht sluip ik in het voetspoor van mijn vader naar boven. Ondanks dat ik mijn ogen toeknijp zie ik hem direct liggen. Precies onder het bed. Een koffer zo groot dat ie nooit op de bagagedrager past van mijn fiets zie ik gelijk. Vanaf nu ben ik een jongen die met een koffer op het stuur fietst.
Klik. Tergend langzaam licht ik het kofferdeksel op. Ergens is het ook jammer om een einde te maken aan de voorpret. Wow. Daar ligt ze. Zachtjes glimmend in verleidelijk satijn van paars bordeauxrood. Om de een of andere reden had ik met mijn jongensromantiek een knalrood bedje verwacht maar dit reken ik ook goed. Meer dan goed. Glimmend zilver, badend in weelde.
Ik hoorde trompetlegende Dizzy Gillespie het al eens uitleggen.
The trumpet lies the hole day in luxury. Just waiting to fuck you up.
Gelukkig weet ik nog van niets. Ik voel wel dat dit weleens een kantelpunt in mijn leven kan zijn. Of een scharnierpunt. In ieder geval zou niets ooit nog hetzelfde zijn.
De trompet lacht, huilt, kreunt, beroert, ontroert, gromt,scheldt, heeft lief, streelt, jeukt, kriebelt, schreeuwt, fluistert, tovert, verbaast, betoogt, bezingt, declameert, protesteert, beaamt, bekijkt, bepaalt, besluit, opent, overziet, vraagt, beveelt, bedenkt, weet, twijfelt, stuurt, smaakt, spuwt, smoort, straalt, ageert, reageert, kleurt mee en tegelijkertijd tegen. Lucht en licht suizend door een mystieke constructie van sacrale metalen op wonderbaarlijke wijze tot leven gebracht in klanken uit oneindige dimensies.
Eerst maar eens die verrekte toonladder van C eruit zien te krijgen. In het destijds populaire beginnersboekje A Tune A Day staan gelukkig de grepen. Het is het begin van een eindeloze periode van ploeteren, zweten, vallen, opstaan en weer verder ploeteren. Een vloek en een zegen ineen. Ondertussen bouwen mijn trompet en ik gestaag aan een complexe relatie waarin overgave, afwijzing en volharding elkaar afwisselen.
Gelukkig is er altijd de liefde nog.
Door de tijd heen verzamel, verkoop en verslijt je ze, die trompetten. Het zijn personages, zoals vrienden en familie. Sommige spreek je vaak, andere zelden. De meest populaire hebben een fikse gebruiksaanwijzing. Die matten je af, net zolang totdat de moleculen in het edelmetaal langzaam aan samenhang inboeten en de alchemie aan kracht begint te verliezen. Anderen liggen jaren in een hoekje stilletjes te wachten tot je eindelijk in staat bent hun schoonheid te doorzien.
Chet Baker was ontdaan toen zijn huisgenoot als verrassing zijn Conn connstellation eens lekker had gespoeld, gewassen en opgepoetst met sop en al. ‘What have you done, man?’ klonk het zwaar teleurgesteld uit de mond van de maestro. ‘Now you have messed up my sound.’
Proeven, Luisteren, voelen. Met een goeie toeter moet je samenwerken. Het zijn karakters en daar moet je mee zien te dealen. Net zolang totdat er echt contact is en het materiaal begint terug te praten en je er vervolgens mee leert lezen en schrijven. Als je geluk hebt tenminste.
Er is niemand die je vertelt dat dat in het begin pijn doet. Dat je bovenlip en alles daaromheen direct verzuurt na het eerste kwartiertje oefenen. Of dat je eerst maar eens voldoende adem moet zien te halen om er überhaupt een beetje fatsoenlijk geluid uit te krijgen. En dat dan duizenden en op den duur een veelvoud daarvan achter elkaar. Moeten want het gaat hier om het aangaan van een morele verbintenis met het instrument.
Zonder het Heilige Moeten wordt het sowieso niks.
Het is inmiddels een staaltje uit bijna vervlogen tijden. Een act waarin passie en toewijding je leren dat falen niet erg is. Dat je het altijd opnieuw mag proberen, ook na de zoveelste mislukking. Er is geen musicus ter wereld te vinden die nooit vloekend heeft verzucht dat het niks is, niks was en ook nooit wat worden zal. Daarbij is het zaak tot ver na de leeftijd waarop je vroeger het huis uit ging, te doen wat je meester zegt. Of in ieder geval te doen alsof. Want ook daarin schuilt een wijze les. Wanneer deze kunst tot tevredenheid van de mentor beheerst wordt, kan ook deze les worden afgevinkt. Je hoeft niet op tijd thuis te zijn, als je maar weet dat je te laat bent.
Mijn eerste trompetdocent gaf me bij mijn gebrekkige ademsteun in plaats van gedegen uitleg, een klap op mijn ‘pens’, zoals de korte beroepsmilitair mijn babybuik steevast noemde. Pats! Pats! Ademsteun!
Een paar jaar later heb ik er schoon genoeg van. Gelukkig ben ik al totaal gegrepen door de muziek. Ik begin een bandje en studeer me vanaf nu op eigen houtje te pletter, want ik wil het wel. Bovendien val ik iedere avond in slaap met muziek van mijn nieuwe surrogaatvader en zijn band. Louis Armstrong’s Hot Five & Hot Seven, het officiële startschot van de Jazz.
Winter 2008 Ik ben zojuist uit lijn drieëntwintig gestapt en wacht op de trein. Ik ga op tournee en ben me ervan bewust dat ik me bij het verlaten van huis en haard mij altijd anders verhoud tot de buitenwereld. Alsof ik dierlijker word. Alerter ook. In ieder geval staat alles aan en open.
‘Waar is mijn paspoort?’. ‘Daar. In je rechterbroekzak’.
‘Kut. Waar is mijn telefoon nu weer?’
‘Mogge slager.’
(Subtekst: Zie je dan niet dat ik op reis ga?)
My rifle is my best friend galmt het door mijn hoofd daar op het nog koude donkere station. Het komt uit The Rifle Man’s Creed. Een bijna bijbelse verhandeling die de basis vormt onder de werkethos van het Amerikaanse Marine Corps. Opgesteld door een beruchte drill instructor vlak na de vernietigende gebeurtenissen in Pearl Harbour in 1942.
Every Marine is, first and foremost, a rifleman. All other conditions are secondary.
Zelf draaf ik op voor mijn nummer als een van de laatste dienstplichtigen bij de genietroepen in Vught. Negenentachtig-Vier in soldatenjargon, april ‘89 in burgertaal. Genoemd naar het tijdstip van je opkomst als bolle. Een verse baret krult nu eenmaal op naar boven. Na een maand of twee ben je weer net als alle anderen.
My rifle is human, even as I am human, because it is my life. Thus, I will learn it as a brother.
Het komt erop neer dat je met militaire toewijding één moet zijn met je uitrusting, want die is van levensbelang. Precies zoals je al jong van oudere muzikanten om je heen leert dat je instrument van essentieel belang is in het leven. Of in ieder geval in jouw leven. Zoals vroeger na een spetterende nacht - waarin je eerst eigenhandig de jazz opnieuw had uitgevonden - in euforische dronkenschap met een zojuist verworven beauty de kroeg verliet, maar dat je nooit maar dan ook nooit je instrument zomaar zou vergeten of per ongeluk achterlaten.
Terwijl de schoonheden nog weleens wilden wisselen, is veertig jaar later die band alleen maar inniger geworden. Ook deze reis focus ik mij weer op de heilige drie eenheid. Mijn instrument, mijn paspoort en een koffer met vooral podiumkleding. En natuurlijk een zwembroek voor je weet maar nooit. Essentieel in iedere uitrusting. Vanaf dat ik de deur uitstap duik ik in het moment. Hoezeer ik ook vind dat dat de manier is waarop ik überhaupt in het leven sta.
Lotsverbondenheid, nieuwsgierigheid, de ervaring muziek te maken op een plek waar het er toe doet. Alles om bij te dragen aan de spirit van de mensheid. Misschien wel de drijfveer van ieder zichzelf serieus nemend kunstenaar. Ik voel me vaak oorlogsverslaggever. Of eigenlijk is het juist andersom. Verslaggever van het normale doorgaans liefdevolle leven, desnoods in gevaarlijk gebied als het leven daarom vraagt. Zoals jazzhelden vroeger naar oorlogsgebieden trokken om vlak achter het front op te treden. Irving Berlin, Frank Sinatra, Judy Garland.
Tonight we try to make you as happy as possible.
Ik word onder luid applaus bedolven.
Je moet in dit vak over een zekere onverschrokkenheid beschikken. Al helemaal in de Jazz. Die draait van oudsher om persoonlijke expressie, maar wel in de juiste verhouding tot je omgeving. Anders ben je een roepende in de woestijn of een discipel van Don Quichotte op zijn best. Het idee om het niet te halen omdat je niet goed genoeg bent is voor velen van ons in fases een onontkoombare drijfveer. Al helemaal in de jazz.
Freddie Hubbard kreeg als broekie op een van zijn eerste reizen naar NY te horen ‘Ja maar zo spelen we hier niet’. Freddie werd regelrecht teruggestuurd naar Indianapolis , waar hij vandaan kwam. Een paar jaar later haalde hij gerechtigheid en werd hij als een koning onthaald, maar wel als een koning met als extra die ‘gekkigheid’ die nu ineens een unieke kleur vormde op zijn palet.
Voorjaar 2000 Just a closer walk with thee. De trompet en ik staan voor het eerst aan een vers gedolven graf. Daar waar muziek en leven voor elkaar bestemd zijn en waar kunst en leven op haar intiemst samen komen.
Het graf is dat van mijn vader. Naast me staat een oude rot in het vak, contrabas in de aanslag. Als alles misgaat heb ik altijd hem nog bedenk ik me.
Het gezelschap breekt als de trompet haar hart doet spreken. Mijn mond is gortdroog maar het dondert niets. Energie genoeg. Het lijkt recht uit de bron te komen. Dat waar ik tegenop zie als een berg, draagt me tot ver over de vallei van verdriet. Ik zie mijn familie staan. Mijn broer, mijn moeder, vrienden van mijn ouders. Mijn moeder verkeert in diepe trance maar misschien ben ik dat ook wel. In volledige helderheid. Recht in het licht.
Die zomer van 1978 markeert het begin van een levenslange relatie. Een relatie die zorgt dat ik het leven begrijp en die me datzelfde leven in zekere zin ook schenkt. Mentaal, financieel, praktisch, amoureus. De trompet als katalysator tussen mij en de kosmos. Niet dat ik de illusie heb dat die kosmos zich persoonlijk om mij bekommert, maar het helpt me mijn weg te vinden naar de dingen die het leven voor mij de moeite waard maken.
Zomer 2026 Ik zit op de rand van het bed. Ik denk aan het magische moment waarop ik de koffer voor het eerst open klikte. Het is altijd een beetje spannend zo net na de vakantie. Kan ik het nog? Is mijn toon nog net zo krachtig als voorheen? Kan ik het heilige vuur nog opbrengen?
Grappig genoeg ben ik altijd precies voor de vakantie juist in topvorm.
Alsof ik al op mijn laatste benen loop na weer een lang seizoen. Daar waar de trompet een verlengstuk van jezelf wordt, al is het alleen al uit vermoeidheid. Overgave. Nu.
Gister was ik nog in Zuid-Frankrijk.
Ik staar vol verwondering in het pluche van mijn trouwe metgezel en pak
mijn koffers op weg naar nieuwe avonturen.
Heb ik alles?
Ik ben weer tien en stap op de trein met mijn trompet.
Jaargang #49 is een feit.