Artikel geprint vanaf Jazzenzo.nl

Een goede buur. De kunsten in Duitsland en Nederland

OPINIE
door: David Cohen












Net zoals Finland voor de onderwijssector in ons land al sinds decennia een lichtend voorbeeld is, wijzen culturele ondernemers als theaterregisseur Johan Simons geregeld op de grote verschillen tussen Nederland en Duitsland. Die verschillen worden nadrukkelijk genoemd als het gaat om subsidiëring van kunsten en hun maatschappelijke waardering.

Recent kwam dit contrast nogmaals op de voorgrond, toen hoornist en Muziekprijswinnaar Rob van de Laar in de Volkskrant vertelde dat je in Nederland als musicus niet alleen nauwelijks de maanden aan elkaar kunt knopen, maar ook op weinig aanzien hoeft te rekenen. In zijn nieuwe Heimat Oostenrijk is er voor muziek wél geld en staan de kunsten hoog in het vaandel, zo wist hij te vertellen.

Van de Laars gelijk wordt ook in Duitsland, de nieuwe Heimat waar dit stuk tot stand kwam, op meerdere vlakken zichtbaar. Waar in Nederland gerenommeerde culturele festivals en zelfs internationaal befaamde Grammy-winnaars moeten knokken voor hun voortbestaan, heeft trompettist Till Brönner bij de Duitse Bundestag een voorwaardelijke toezegging voor een bedrag van € 12,5 miljoen gekregen om midden in het centrum van Berlijn een ‘House of Jazz’ te openen. Dat de kunsten niet alleen in Berlijn, maar in heel Duitsland hoog staan aangeschreven bleek uit het nieuwsbericht, waarmee de verantwoordelijke staatssecretaris (Staatsministerin) voor cultuur op 11 november aankondigde dat er € 28,- miljoen aan het jaarlijkse bondsbudget zou worden toegevoegd: ‘Zo wordt de waarde die cultuur voor de gehele samenleving heeft op fraaie wijze bevestigd. Naar het vermogen van kunst en cultuur om bruggen te bouwen is meer vraag dan ooit. Cultuur zorgt niet alleen voor waarden en identiteit, het ondersteunt ook maatschappelijke verbondenheid en draagt bij aan bevestiging van het zelfbewustzijn.’

Ten tweede is de Duitse samenleving ook veel gelegen aan de kennismaking van jongeren met cultuur. Zo mag schrijver dezes zich bezitter noemen van een overkoepelende kaart, waarmee Berlijnse jongeren onder de dertig een uur voor aanvang van alle voorstellingen bij de drie operahuizen, het stadsconcerthuis, het staatsballet, de twee stadssymfonieorkesten èn de twee omroepkoren voor een bedrag van tussen de acht en tien euro overgebleven kaarten kunnen kopen. De kaart zelf kost jaarlijks vijftien euro. Voor zover er in Nederland dergelijke regelingen bestaan, zijn ze niet overkoepelend en aan veel meer regels gebonden.

Maar wordt dit besef van de waarde van cultuur ook zichtbaar in het financiële beleid van beide landen? Duitsland lijkt relatief gezien helemaal niet zo veel meer aan kunst en cultuur uit te geven dan ons land. In Nederland, waar structurele cultuursubsidies voornamelijk door de rijksoverheid worden verdeeld, zijn de totale uitgaven van ons land voor 2017 op Prinsjesdag geraamd op € 264,4 miljard, waarvan € 802,6 miljoen naar cultuur gaat – oftewel 0,3% van het rijksbudget. Op provinciaal niveau komt daar nog eens ongeveer € 254 miljoen bij (volgens cijfers uit 2015), en op gemeenteniveau € 1,74 miljard (volgens verwachte cijfers uit 2014), oftewel in totaal ca. € 2,8 miljard – hetzelfde bedrag dat volgens Sprout.nl vóór de bezuinigingen onder Zijlstra aan subsidies werd besteed. In Duitsland, waar niet de Bond, maar de afzonderlijke provincies (Bundesländer) in eerste instantie verantwoordelijk zijn voor de culturele infrastructuur, stond het totaalbedrag van alle culturele uitgaven volgens de bondsdienst voor statistiek (pdf) in 2016 op € 9,9 miljard. 

Kortom, per hoofd van de bevolking (82,2 miljoen) investeerde Duitsland afgelopen jaar € 120,- in kunst en cultuur, waar de Nederlandse overheden (17,1 miljoen inwoners) daar in dit jaar € 163,- aan uitgeven. In 2012 kwam het Cultureel Persbureau met vergelijkbare conclusies.

Het cruciale onderscheid lijkt hem dan, naast het verschil in absolute bedragen, toch voornamelijk in de maatschappelijke waardering voor kunst en cultuur te zitten. De anekdotes van Van de Laar duiden helaas niet op een nieuw fenomeen: de kreet ‘linkse hobby’ vigeert al minstens sinds 2011, toen drie jazzmusici zich op Jazzenzo uitspraken tegen het gebrek aan waardering voor cultuur in onze samenleving. 

Maar er klopt iets niet. Het is op zijn minst merkwaardig dat er in de laatste tijd in de Lage Landen steeds maar weer op ‘de Nederlandse cultuur’ wordt gehamerd, terwijl de politieke partijen die zich als voorvechters van diezelfde cultuur wensen te etaleren, dezelfde zijn die vanaf 2010 voor de systematische afbraak van de culturele sector verantwoordelijk zijn geweest. De veredelde eenmansfractie die zich het sterkst voor diezelfde Hollandse cultuur zegt te willen inzetten heeft als zevende programmapunt (citaat geverifieerd): ‘Geen geld meer naar ontwikkelingshulp, windmolens, kunst, innovatie, omroep enz.’ Oftewel, Wilders en de zijnen schijnen te denken dat ‘de Nederlandse cultuur’ gelijk staat aan pindakaas en hagelslag.

Het beginmotto van het huidige kabinet Rutte-II was: ‘bruggen slaan’. In Duitsland is men blijkens het bovenstaande bericht van mening dat er ‘meer dan ooit vraag is naar kunst en cultuur als bouwers van bruggen’. Laat Nederland daarin aan het buurland een voorbeeld nemen, en eerst en vooral eens voor artistieke ontwikkelingen in datzelfde buurland open leren staan. Neem de jazz: over Till Brönners ‘House of Jazz’ werd slechts door één Nederlandstalig nieuwsmedium bericht. Weliswaar is jazz van oorsprong Amerikaanse muziek, maar helemaal in het tijdperk-Trump zou ‘beter een goede buur dan een verre vriend’ niet alleen voor de Nederlandse cultuurpolitiek, maar ook voor de kunsten zelf geen gek motto zijn.

David Cohen is redacteur bij Jazzenzo en woont van 2015 tot medio 2017 in Berlijn.


© Jazzenzo 2010