Strijd COLUMN Vanaf het allervroegste begin is jazz een competitieve muziekstijl. Sommige fameuze trompettisten in New Orleans speelden met een zakdoek over hun hand zodat niemand hun spel kon afkijken. Het verhaal gaat dat Buddy Bolden een platencontract weigerde omdat het opnemen van zijn muziek concurrenten in staat zou stellen die te kopiëren. Bolden verdween uiteindelijk in het gesticht en de blanke Original Dixieland Jass Band werd de eerste jazzgroep die op schellak werd vastgelegd.
door: Mischa Andriessen
Er zijn stromingen waarbinnen muzikanten fier zijn op de gebrekkige beheersing van hun instrument. Drie akkoorden en rammen is nog steeds devies van menig band en dat heeft soms ook zo zijn charme. Binnen de jazz zijn zulke groepen schaars. Er bestaat wel zoiets als punkjazz met groepen als het Zwitserse Tre en het Engelse Solar Fire Trio die energie en humor veel belangrijker vinden dan complexe vingerzettingen en andere vormen van virtuositeit, maar over het algemeen hebben jazzmusici flink geoefend.
De jazzgeschiedenis is doortrokken van competitie. Zo dankt Lester Young zijn bijnaam Pres aan een legendarisch saxofoonduel met onder meer Coleman Hawkins waaruit hij na uren als winnaar te voorschijn kwam. Charlie Parker onderging tot twee keer toe de vernedering bij een jamsessie te worden weggestuurd en veel musici werden aan het begin van hun carrière ‘little’ genoemd, gevolgd door de voornaam van de muzikant op wiens spel dat van hun het meeste leek.
De biografie van Joe Zawinul staat volledig in het teken van wedstrijd. De wedstrijd wie de allerbeste muzikant is die de allermeeste noten per minuut kan spelen. De wedstrijd houdt nooit op. Als de muzikanten van het podium zijn gespeeld, moet Zawinul ze na het optreden nog onder tafel drinken. Er moet er altijd een de beste zijn.
Dat voortdurend tegen elkaar opboksen. Het zich laatdunkend over collega’s uitlaten. De boeken over jazz staan er vol mee en op den duur gaat dat wel wat vervelen, want het draait niet om de competitie, het gaat om de muziek.
En toch kan het mooi zijn om te zien. Jaren geleden had Archie Shepp voor zijn optreden in het Bimhuis behalve zijn vaste band met toen nog Horace Parlan, een jonge trompettist meegenomen. De jongen speelde vroeg in de set één solo die de bandleider blijkbaar niet beviel want de trompettist werd verbannen naar een stoel in de zaal en op de planken werd hij niet meer gevraagd.
Het concert liep tegen het eind toen de jongen zich realiseerde dat zijn kans zeer aanstonds verkeken zou zijn. Hij begon onrustig te schuiven op zijn stoel. Het publiek zag het en moedigde hem woordeloos aan. De jongen stond op, nam de attitude aan van een bokser die de ring in moet en begaf zich naar de microfoon. Shepp keurde hem geen blik waardig, maar draaide zich ineens naar de jongen toe en gaf hem, alsof hij een estafettestokje overhandigde, met zijn saxofoon een cue. Have horn, will blow moet de jongen gedacht hebben. Hij greep zijn kans met beide handen aan en blies een verpletterende solo. Shepp gaf minuten later met een wijds armgebaar het startschot voor een daverend applaus, voor hij zelf weer in de spotlights ging staan. Met de zelfverzekerde blik van de oude straatvechter die weet dat je de meeste gevechten niet op snelheid maar op ervaring en gewiekstheid wint.
© Jazzenzo 2010