Artikel geprint vanaf Jazzenzo.nl

Sonny Rollins is er nog, is er zeer zeker nog

CONCERTRECENSIE. Concertgebouw Amsterdam, Sonny Rollins Sextet, 26 november 2007
beeld: Hans Reitzema
door: Mischa Andriessen

Je weet wat je wilt zien, niet wat je moet verwachten. Bij concerten van legenden hebben de thuisblijvers vaak gelijk. Het hoogtepunt is geweest, maar het aura reist nog jaren mee. Een concert van Sonny Rollins of iemand van gelijke standing is een belevenis, alleen al om wie het is.

Sonny Rollins in het Concertgebouw in Amsterdam - klik op foto

Gelijke standing? Het is er uit voor je het weet, maar noem eens iemand die dezelfde status, dezelfde ongelofelijke staat van dienst heeft. Koen Schouten merkte het onlangs in De Volkskrant op: Rollins is maar weinig geïmiteerd. Hij is een eenling gebleven, in vele opzichten. Beroemd is natuurlijk zijn zelf opgelegde verbanning naar de brug, waar hij zich anoniem technisch verder bekwaamde en naar aansluiting met de nieuwe, vrijere jazz zocht. Hij heeft geëxperimenteerd, Rollins, maar keerde altijd weer terug naar de basis. Die schuifelpas over het podium waarin die nooit eindigende schwung besloten lag. 

Hij is zevenenzeventig, Rollins. De tijden dat hij letterlijk tegen de wind in blies zijn voorbij. Van zijn band wordt ondersteuning, het stutwerk, geen tegengas verwacht. Dat is wat jij ook denkt te zien als Rollins weer eens het Concertgebouw aandoet. Terecht of niet, er blijven dromen. Het verlangen naar een flard “Live at Village Vanguard”, “Newk’s time”, “Way out west”, hoe onredelijk dat in wezen ook is.

Dan de opkomst. Met de wankele en driftige pas van een kind dat net heeft leren lopen, komt hij het podium op en ondanks de gebogen houding, de zichtbare stramheid en ander ongemak van de ouderdom is er meteen het geloof dat het nog kan. Dat die momenten er zullen zijn. Die waardevolle ogenblikken vol glans.

Die momenten zijn er niet in de plichtmatige blues waarmee Rollins het concert zingend besluit, noch in het langgerekte “Global warming” dat daaraan vooraf ging en in wezen een aftreksel is van zijn grote hit “St Thomas”. Evenmin zijn ze er in het schuchtere openingsnummer dat louter bedoeld lijkt om ingespeeld te raken.

Clifton Anderson, Bob Cranshaw en Bobby Broom - klik op foto

Halverwege echter, als de jongere garde Bobby Broom op gitaar en vooral drummer Jerome Jennings het tempo wat opschroeven en meer power toelaten, komt heel de groep tot leven. Dan blijkt dat Rollins de kracht en souplesse, maar ook de geestdrift en grenzenloze fantasie nog altijd heeft. Op zijn leeftijd moet hij enkel doseren. Zijn momenten kiezen zogezegd en ook dat is klasse. Met het derde nummer “Sonny please” stak Rollins iedereen in zijn zak. Wat daarna kwam waren ereronden. Met hun eigen charme en de kans voor de bandleden om hun kunnen te tonen. Een mogelijkheid die opnieuw met name Jennings benutte met een solo die illustreerde dat de jonge drummer heel goed naar Rollins heeft geluisterd. Eenzelfde fijnzinnige timing, eenzelfde subtiel geventileerde virtuositeit.

Bijna alle nummers die Rollins tegenwoordig speelt, hebben een dergelijke oppepper nodig, dat is zeker waar. Anderzijds haalt hij eruit wat erin zit, zoals hij dat eerder al uit de meest onwaarschijnlijke nummers heeft gedaan. Denk aan “Way out west”. Cowboyliedjes, maar dan zeldzaam geïnspireerd en geestig uitgevoerd. Gelijke standing? Geen sprake van. Zo’n iemand is het vergund om als toegift, na een minuten aanhoudende ovatie alleen zichzelf te presenteren: een kushandje, een gebalde vuist, even zwaaien met het boeket van het Concertgebouw.

“Dat was mooi”, zei een man tegen zijn vrouw. Zij: “zullen we hem ooit nog zien, Sonny?” en ze liepen gearmd naar huis om de thuisblijvers uit te lachen. Al was het maar een beetje.


© Jazzenzo 2010