Artikel geprint vanaf Jazzenzo.nl

Gelegenheidstrio Ochs/Dresser/Tarasov komt traag tot de kern

Bimhuis Amsterdam, Larry Ochs, Mark Dresser, Vladimir Tarasov, 27 juni 2008
beeld: Claudio Casanova, Peter Gannushkin, Sarah Flohr
door: Mischa Andriessen

De Franse schrijver Patrick Modiano vergeleek het ontstaan van vriendschap ooit met een razzia; willekeurige mensen worden bij elkaar gebracht en sluiten een verbond. Veel jazzgroepen zijn evengoed tamelijk toevallige allianties. Even samen optrekken en dan elkaar soms weer jarenlang niet zien. Het blijft de wonderlijke kern van improviseren; mensen bijeen brengen die met niets anders dan hun techniek en persoonlijkheid muziek creëren die er niet was. Althans nog niet zo.


Het trio Larry Ochs, Mark Dresser, Vladimir Tarasov gaven in Bimhuis een eenmalig Nederlands optreden

Voorafgaand aan vrijwel ieder optreden in het Bimhuis zie je de muzikanten aan de tafel die het dichtst bij de zaaldeur staat. Daar zitten ze. Ze eten en drinken wat. Ze praten. Van een afstand bezien, lijkt het of ze vreemden voor elkaar blijven, maar wel vreemden die iets gevonden hebben dat hen bindt. Zoals je soms op een receptie iemand tegen het lijf loopt met dezelfde favoriete dichter of lievelingswijn.

Het trio Ochs/Dresser/Tarasov is zo’n gelegenheidsproject waarbij de drie musici kort intensief samen spelen (één optreden in Nederland en dan nog vier in Rusland, Letland en Litouwen) om daarna weer verder te gaan met een van de vele andere projecten waarbij zij onafhankelijk van elkaar betrokken zijn. De staat van dienst is van alle drie meer dan vertrouwenwekkend en toch blijft het een bizar fenomeen dat drie mensen een podium kunnen betreden, schijnbaar zonder enige afspraak beginnen te spelen en precies lijken te weten wat ze ten berde willen brengen.

In het geval van het trio Ochs/Dresser/Tarasov is dat geen muziek met een afgebakende koers. Het is muziek die kalm wordt aangezwengeld, geleidelijk aan van de grond komt en dan vrijwel zonder aankondiging weer landt. Drie afwisselend tegen elkaar in of met elkaar mee draaiende machines. Ochs op sopranino klinkend als kwetterende vogels en op tenor met zijn hese schreeuwerig zangerige toon als een verre verwant van Albert Ayler, maar dan zijn hyperintelligente achterneef. De ingenieuze ritmische ondersteuning van Tarasov die het aanduiden van de maat zo veel mogelijk vermijdt om daarmee een ongekende weidsheid te creëren. De rijkheid aan klankkleur die Mark Dresser met veel arcowerk en een uitgekiend gebruik van effectapparatuur met zijn opvallend kleine bas voortbrengt.

In de eerste set waren het meer de muzikanten dan de muziek die bewondering afdwongen. Het gebrachte was intrigerend, maar ook afstandelijk. De muziek leek toch veelal in zichzelf besloten te blijven. Je volgt het gesprek, maar de stemmen komen niet echt door. Na de pauze was dat meteen anders. Tempo en volume werden opgeschroefd. Ochs legde meer in zijn spel dan voor de onderbreking. Bespeelde meer registers en kwam daardoor tot een meer omvattende, diepere conversatie met zijn medespelers.

Ook Dresser werd feller en Tarasov, die bij een eerder bezoek aan het Bimhuis al een onvergetelijke indruk achterliet met een imposante drumsolo, stal nu de show met een ware circusact waarin hij door knikkers over de toms te laten rollen een sensationeel ritmisch effect teweeg bracht. Spectaculair én subtiel. In die korte set na de pauze kwam tenslotte samen waarop je bij dit tijdelijk beklonken verbond tussen drie sterimprovisatoren van tevoren had gehoopt. Het kwam toch, dat ene moment waarop drie vage bekenden van elkaar doorkregen dat ze allemaal verzot zijn op dezelfde poëzie.   


© Jazzenzo 2010