A NIGHT IN HARLEM VERHAAL Charlie Parker en Miles Davis zouden daar begin ‘40 de Jazz opnieuw uitvinden tijdens nachtenlange improvisaties en bijhorende escapades. To Be Or Not To Bop, Now’s the Time baby!
door: Michael Varekamp
Een regenachtige dinsdagochtend. Mijn trompetvriend (M.) en ik komen na een nacht vliegen aan op JFK en zien een chauffeur met een bordje met daarop onze namen staan. Braaf volgen we de wildvreemde. Please get in the car, Gentlemen klinkt het uiterst vriendelijk terwijl hij het portier van een imposante witte limousine voor ons open houdt. We staren met open mond naar de witte Cadillac waarvan alleen al aan de neus geen eind komt en worden overvallen door een slappe lachbui als we tijdens het wegrijden een glas Bourbon inschenken. Als twee kleine prinsjes zoeven we naar het hart van New York. De limo is een presentje van mijn gastheer, een bevriende Haagse hotelier die zojuist is geüpgraded tot hotelbaas met een grote B in New York City. En merkwaardig genoeg precies op de plaats waar ooit het Nieuwe Testament van de Jazz opgetekend werd;
52nd on Broadway.
Totdat al die magische clubs stuk voor stuk zouden veranderen in troosteloze stripjoints.
Daarbij een slagveld achterlatend van verloren zielen en veel te vroeg gestorven genieën,
maar de steen in de vijver was verlegd.
In Den Haag deed ik eens een serie concerten die live werd uitgezonden vanuit de lobby van een hotel midden in de stad. Precies zoals het vroeger in NY vaak ging. B. zwaaide er met verve de scepter. Daarna nam hij met een knalfeest afscheid van ons allemaal en vertrok hij naar Amerika om nooit meer terug te komen. Als je ooit in NY bent kom je bij mij logeren! verzekert hij mij bij vertrek.
Een paar maanden later sta ik op de stoep.
Vlak voor mijn vertrek speel ik in een lokale kroeg tijdens de wekelijkse jamsessie. Zo’n sessie biedt een kans om muzikaal bij te praten met je collega’s. Precies zoals in het normale leven maar dan met een trompet aan je mond. Wie zin heeft springt op het podium en laat van zich horen. Ik speel met een trompettist die ik op afstand ken maar waar ik intuïtief meteen een zwak voor heb. En terecht zo blijkt al snel. Het is wederzijds. We beschikken over dezelfde muzieksmaak, delen dezelfde humor en bovendien delen we een voorkeur voor wie goed is en minstens net zo belangrijk, wie niet. Als kunstenaar ben je nu eenmaal gedwongen om je met regelmaat te begeven langs de afgrond van het oordeel.
We spelen ook op hetzelfde type trompet. Een iconische Conn Connstellation uit de jaren vijftig. Zeldzaam en lang niet bij iedereen geliefd maar de diehard fans namen de extra kracht die je nodig had en ook de immer koppige ventielen voor lief. Die liepen voor geen meter. De Conn was een soort vrachtvliegtuig. Niet gemaakt voor subtiliteit en snelheid maar eenmaal op koers onverzettelijk. Snelheid was weggelegd voor de Martin Committee. Een heel ander soort trompet, speciaal ontwikkeld voor vliegensvlugge boppers als Dizzy Gillespie en Chet Baker. Maar had je een vuig verhaal te vertellen of werd je gekweld door liefdesverdriet dan was de Connstellation je beste vriend.
M. weet net als ik wat serieus toeren is. Onderweg zijn met een band. Life On The Road.
Het wachten, de vermoeidheid, de eenzaamheid. Maar ook het avontuur, het succes en de kameraadschap die bij zo’n soort leven komt kijken. Ik heb het altijd als een voorrecht ervaren om mijn koffer in te mogen pakken, niet wetende waar ik de komende vier weken zal slapen.
Eenmaal gewend ben je verslaafd en staat voor altijd je koffer gepakt en wel in de gang.
Tot het bittere eind. Trompet er onafscheidelijk naast.
Wow ga je naar New York? Ja, overmorgen. Waarom ga je niet mee?
Ik hoor het zelf. Het lijkt een rare vraag zo out of the blue, maar dat is het niet.
Jazz leert je naast vele andere zaken, ook ruimhartigheid.
Die muziek bestaat bij de gratie van delen. Onze kennis is van iedereen.
Heb je dit gehoord, nee? Ik maak wel een bandje!
Nee kijk, die noot pak je met je ringvinger.
Herman? Ja, dat is een te gekke reparateur, die maakt zeker tijd voor jou.
Ik weet dat het voor hem anders is, maar eenmaal in New York voel ik me als een vis in het water.
Misschien wel omdat alle culturen de hele dag vrolijk over elkaar heen buitelen zich daarbij realiserend dat ze het samen moeten doen. Ik voel me nu juist eens geen minderheid.
Avond aan avond duiken we in de spreekwoordelijke energie van New York. Als er ergens een bron bestaat die het eeuwige muzikale jazzleven in zich herbergt is het wel hier. De Jazz sijpelt overal doorheen. Door de muren van musea en bars, door de schappen in de Deli’s, door het hartverscheurende geluid van muzikanten op straat of in de metro. Natuurlijk, soms is het verdrietig of schrijnend maar altijd is er die niet aflatende energie. Alsof de muziek zich van binnenuit een weg baant om stralend voor een ieder aan de oppervlakte te verschijnen.
In clubs als Village Vanguard, Blue Note, Zinc Bar op Bleecker, Houston en Mercer vallen we samen met de tijd. Het is onze hoogstpersoonlijke versie van Kuifje in Amerika, of zoals M. het omschrijft, Peppi & Kokki in de Grote Stad. We zijn trouwens vrij snel een bezienswaardigheid hier op het grote eiland. Twee kale koppen - de een wit de ander zwart - en ze kunnen nog trompetspelen ook. Manhattan blijkt een dorp. Een bizar, buiten zijn oevers getreden dorp met een collectief bewustzijn dat dicteert dat je in zo’n jungle maar beter vrienden kunt blijven. Of op zijn minst veinst dat je dat bent.
Woensdagochtend, Chinatown 11.00 a.m. We staan voor een eindeloze rij van tot aan de rand gevulde vaten vol vetgemeste kikkers. Om ons heen krioelt het van Aziaten uit elke uithoek van de planeet. Een toverwereld van geur en geluid. We wachten op een private masterclass van trompetfenomeen Brian Lynch, wereldberoemd door zijn spetterende solo’s voor Art Blakey en Latin King Eddie Palmieri. Wereldberoemd of niet, toch woont hij in een bezemkast. Om bij zijn kleine appartement te komen, moet je je eerst door de glibberige keuken van een Chinees eethuis zien te wurmen. Als verwende Europese jongens hebben we dan nog niet in de gaten dat dit een heel normale manier van wonen is in Gotham. Ook al ben je wereldberoemd. Lynch geeft ons een geweldige les. Een paar dagen later zijn we op bezoek bij iemand die juist niet het achterste van zijn tong laat zien. Ook dat is New York. Je vraagt 100 dollar aan die jongens uit de Oude Wereld, trapt links en rechts wat open deuren in en that’s it. Next! Geïnspireerd op een nauwelijks waarneembare scheidslijn tussen gemeenschapszin en overleefdrift. De beruchte bikkelharde kant van de stad, daar waar het Ieder voor zich en God voor ons allen is. Then again, we zijn wel in het lievelingsland van diezelfde god.
You Must take the A- train
To go To Sugar Hill way up in Harlem
Het zijn de eerste zinnen uit Duke Ellington’s herkenningsmelodie van Billie Strayhorn die het schreef als sollicitatiebrief. Strays werd direct aangenomen en de twee schreven nooit meer een noot apart van elkaar. Sugar Hill is een wijk in Harlem die haar naam dankt aan de relatieve voorspoed die er in de jaren twintig van de vorige eeuw heerste, vlak nadat de zwarte middenklasse was verjaagd van Downtown naar Uptown. Ook gentrificatie is van alle tijden.
Sugar Hill wordt The place to be. Later zou Harlem er stevig van langs krijgen en werd het hele stadsdeel voor iedereen die het wilde horen bestempeld als kansarm vijandelijk gebied, maar in de beginjaren van de vorige eeuw is het een wonder van vooruitgang. Frappant genoeg net als nu, honderd jaar later. Duke Ellington woont er, Josephine Baker heeft er een residentie evenals Marcus Garvey. Langston Hughes schrijft er The Weary Blues en ontketent daarmee de eerste zwarte emancipatiegolf. De Harlem Renaissance is een feit.
Harlem kende vroeger talrijke jazzclubs waar elke avond een andere Cutting Contest plaatsvond.
Wie kon wie van het podium blazen. Vervolgens was de winnaar de koning voor een dag totdat de volgende avond alles weer van voor af aan begon. Lennox Lounge en Minton’s Playhouse waren bekende locaties maar je had ook het meer obscure St. Nicks. Die opende haar deuren in de jaren dertig en stond eerst bekend als Poosepahtuck, Lucky’s Rendezvous en Pink Angel voordat het in de jaren zestig uiteindelijk St. Nicks ging heten. St. Nicks Jazz Pub on 773 St. Nicholas Avenue, New York City. Miles ging er wel eens jammen, net als Stevie Wonder.
Na veel uitstelgedrag trekken we op onze laatste avond de stoute schoenen aan en gaan op weg naar het hol van de leeuw. Het is koud en donker en eenmaal onderweg in de metro wordt het niet alleen steeds stiller, deze begint dusdanig te verkleuren dat tegen de tijd dat we er zijn is M. veranderd in een exotische bezienswaardigheid. Hij is nu de enige met een huid zo wit als sneeuw in ons treinstel.
Eenmaal bovengronds staan we in een buurt waar tot voor kort geen taxi naartoe durfde. Er is ook geen toerist te bekennen. We zien inmiddels allebei wit rond de neus, zo spannend is het.
Als we ooit maar weer thuiskomen denk ik, maar goed, dat is van later zorg hier op The Hill.
Eerst maar eens naar St. Nicks.
We stappen met enige aarzeling een klein onooglijk cafeetje binnen. Die aarzeling is ten onrechte zo blijkt al snel. Eenmaal binnen worden we overvallen door de geborgenheid die een goeie kroeg van nature bezit. Er zit zelfs publiek aan de bar en op oude tafeltjes liggen rood wit geblokte kleedjes. Een New Yorkse variant op een bruine kroeg. Eigenlijk een gewoon buurtcafé waar je net zo lang kunt zitten als je wilt, een zeldzaamheid in Manhattan waar je in de meeste clubs een cover van zestig dollar op moet hoesten om er vervolgens in de eerste de beste pauze te worden uitgeveegd.
Je kunt wel blijven zitten voor nog een set, maar dan begint het hele spel weer bij het begin. Hier stappen we in een huiskamer. Maar wel een huiskamer in een heel ander universum op een heel andere frequentie. In ieder geval zijn mijn vader en zijn krant in geen velden of wegen te bekennen.
Alsof we iets ontdekken waar nog nooit iemand was die niet van hier kwam. Onze ogen moeten nog wennen aan het donker maar achterin, op een klein podium zien we de contouren van een band.
En we horen ze ook. Elke klap is raak. Muziek van voorbij The Point Of No Return, de Sound van de Underdog. Aan het woord is saxofonist en Jazz Legend To Be James Carter. Op hoog vuur smeedt hij heden, verleden en toekomst samen tot één prangende boodschap.
We are here to stay.
Na een paar biertjes aan de bar kijken we elkaar eens even goed in de ogen en wagen het erop.
Voor we goed en wel zijn uitgepakt is de band er als een haas vandoor.
We haken net op tijd aan, worden heen en weer geslingerd, uitgedaagd, geprikkeld.
Maar we worden die muziek. Tot in het diepst van ons wezen.
Voor even zijn plaats, tijd en ruimte vloeibaar en gevangen in een wolk van louter geluid.
Na nog meer spelen en nog meer doorzakken verlaten we het pand als kampioenen.
Het mooiste compliment is voor M. I don’t like white people but I think you are great! zegt een prachtige zwarte vrouw liefdevol tegen mijn vriend op weg naar buiten.
We moeten lachen en huilen tegelijk.
Onze vriendschap heeft nog lang plezier gehad van die magische nacht op Sugar Hill.
Toch zit M. een paar jaar later tien dagen dood en moederziel alleen in huis, nadat hij gesloopt en uitgeput was teruggekeerd van de zoveelste Russische tournee. Het vele reizen en de rondspokende trauma’s in zijn hoofd hadden hem te kwetsbaar gemaakt voor de zware kant van het leven.
Zo lang hij zegevierde op het podium was alles goed maar daarbuiten had het bestaan iets ondraaglijks gekregen.
Heb jij nog iets van M. gehoord? Nee, jij?
Uiteindelijk slaat zijn vriendengroep alarm.
Aan zijn kist tel ik onverstaanbaar ons favoriete nummer af.
De lucht is dik maar de Connstellation doet waar ‘ie goed in is.
'A Night in Harlem' is afkomstig uit Michael Varekamp's debuutboek 'De Kracht van Muziek', dat mei 2026 verscheen bij uitgeverij Studio 92A en verkrijgbaar is bij onder meer Bol.com.
In september verschijnt er weer een nieuw verhaal van Michael Varekamp.
© Jazzenzo 2010