Artikel geprint vanaf Jazzenzo.nl

Miles Davis domineerde vijftig jaar het geluid van de jazz

INTERVIEW
door: Johan Bakker









Michael Varekamp over Miles Davis, over wie hij een theaterproductie maakte. Foto © Piet Gispen


Dinsdag 26 mei wordt op allerlei plekken in de wereld stilgestaan bij de honderdste geboortedag van Miles Davis (1926 – 1991). De Nederlandse trompettist, kunstenaar en schrijver Michael Varekamp (1968) brengt die dag in de Amsterdamse Tolhuistuin met zijn groep een eerbetoon aan de Amerikaanse componist, trompettist en bandleider. Na de zomer reist hij met een Miles Davis-theatertour door het land.

Davis die op 65-jarige leeftijd overleed, bepaalde bijna een halve eeuw het geluid van de jazz. Zijn invloed op de jongste generatie musici is nog onverminderd groot. Michael Varekamp, van wie ook net een boek is verschenen met jazzverhalen, is een bewonderaar en een kenner van het werk van Davis. Hij beschouwt trompettist Louis Armstrong (1901 – 1971) als een vaderfiguur en Miles Davis als een muzikale moeder.   

Kun je dat uitleggen?

Ik was een jaar of tien toen ik Louis Armstrong voor het eerst hoorde spelen. Dat had op mij het effect van een oerknal. Armstrong was mijn jeugdheld. Wat hij deed, wilde ik ook, daarom koos ik voor de trompet. Tien jaar later hoorde ik Miles Davis die veel intiemer musiceerde. Als je die twee grootheden met elkaar vergelijkt, is Armstrong echt een man van zijn tijd: hij liet zich nadrukkelijk horen met een krachtig, stoer geluid waarmee hij de jazz min of meer definieerde. Als Armstrong mijn muzikale vader is, mag je Miles Davis met zijn breekbare manier van improviseren een muzikale moeder noemen. Davis, die zich soms opstelde als macho, durfde in zijn muziek zijn gevoelige kanten te tonen. Als gevolg van een operatie aan zijn stembanden bleef hij de rest van zijn leven hees, daarvoor had hij een hoog, bijna vrouwelijk stemgeluid. Toen hij ouder was, beeldde hij als kunstschilder op een fijnzinnige manier Afrikaanse vrouwenfiguren af.

   
Varekamp's favoriet In A Silent Way. Filmposter Ascenseur pour l’échafaud. Davis in elkaar geslagen door politieagent.

Wat vind je het beste album dat Davis gemaakt heeft?


Toen ik hem pas had ontdekt, ging mijn voorkeur uit naar de bebop-opnames die hij maakte met saxofonist Charlie Parker in de jaren veertig. De jazz ontwikkelde zich in die periode van entertainment tot kunstmuziek. Daarna luisterde ik veel naar Birth of the Cool (1949), waarvoor Davis samenwerkte met arrangeur Gil Evans. Dat project kenmerkt zich door gepolijste, melodieuze kamerjazz. Sketches of Spain (1960) waarin Miles Davis en Gil Evans zich lieten inspireren door Spaanse klassieke muziek heb ik ook grijsgedraaid. Als ik nu moet kiezen, wordt het In A Silent Way (1969). Davis sloeg op dat album met elektronische instrumenten een totaal nieuwe richting in die later zou leiden tot de funky jazzrock op Bitches Brew (1970). Het was een sleutelmoment in de ontwikkeling van de muziek.

Sommige jazzliefhebbers beschouwden In A Silent Way als een knieval voor de rockmuziek.

Miles Davis zag het succes van witte rockbands en dacht: dat kan ik beter. Hij had al een tijdje genoeg van rokerige jazzclubs en wilde graag spelen in grote stadions. Dat deed hij zonder zichzelf te verloochenen. Ook met zijn elektrische bands bracht hij een oprecht verhaal over, hij schilderde met muziek. Op dat punt was hij volstrekt niet commercieel. Artistiek gezien handhaafde hij zijn hoge niveau.

Waarom moeten de mensen van nu nog weten wie Miles Davis was?

Hij was de meest iconische figuur uit de jazzgeschiedenis. In een periode van vijftig jaar heeft hij voortdurend de muziek vernieuwd en onder de aandacht gebracht. Het is ondenkbaar dat je naar Davis’ uitvoering van Porgy and Bess (1959) luistert en vervolgens asielzoekers te lijf gaat. Tegenwoordig wordt er wel eens denigrerend over cultuur gesproken, maar uiteindelijk is kunst bedoeld om het volk te verheffen. Dat geldt zeker voor de muziek van Miles Davis. 

  
Birth Of The Cool in samenwerking met Gil Evans. Porgy & Bess. Het album Workin' uit de serie Relaxin’, Walkin’ en Cookin’.


In je voorstelling zit een fragment uit
Ascenseur pour l’échafaud (regie Louis Malle, 1958) waarvoor Miles Davis de muziek maakte. Is dat een goede film?

Nee, zonder de muziek van Miles Davis zou niemand nog over die film praten waarin Jeanne Moreau eindeloos lang vertwijfeld door de regen loopt. Miles Davis en zijn begeleiders speelden de muziek improviserend in tijdens het bekijken van de beelden, dat maakt de film interessant. Voor Davis was het een openbaring om in Parijs ‘gewoon’ om te kunnen gaan met mensen als actrice en filmster Juliette Gréco en filosoof Jean-Paul Sartre. De Franse existentialisten waren gek op de muziek van Miles Davis. In Amerika was de situatie volstrekt anders. In New York werd Davis in diezelfde periode door een politieagent in elkaar geslagen toen hij een sigaret stond te roken voor de ingang van jazzclub Birdland en weigerde daar weg te gaan. Terwijl zijn naam in grote letters op de gevel stond en hij aanstalten maakte om aan zijn tweede set te beginnen. Zelfs als je succes had, werd je in de Verenigde Staten uiteindelijk slechts beoordeeld op je huidskleur. 

Het bekendste en meest verkochte album van Miles Davis is Kind of Blue (1959). Wat is daar zo bijzonder aan?

Met die plaat perfectioneerde Davis de zogenaamde ‘modale jazz’, waar hij al mee experimenteerde op Ascenseur pour l’échafaud. Bij het spelen van modale jazz improviseer je niet op een akkoordenschema maar gebruik je de toonladders van hooguit een of twee akkoorden. Dit concept is afkomstig uit de Afrikaanse muziek. Je creëert er rust en ruimte mee omdat je op die manier veel meer kunt weglaten. Davis’ medemuzikanten wilden graag van tevoren weten wat ze konden verwachten, maar kregen in de studio pas instructies omdat Davis streefde naar een fris, zoekend geluid. Dat heeft verrassend goed uitgepakt. Davis had dan ook, zoals hij vaker deed, de juiste muzikanten om zich heen verzameld.

  
Davis wilde geen witte vrouwen op albumhoezen: v.l.n.r. Betty Mabry, Cicely Tyson en Frances Taylor.

De autobiografie van Miles Davis leest af en toe als een zware biechtsessie, met name als Davis tussen 1975 en 1980 geen muziek meer maakt en zich overgeeft aan drank, drugs en duisternis. Het mag een wonder heten dat hij zich weer herpakt en alsnog het aan de anti-apartheidsbisschop opgedragen meesterwerk Tutu (1986) nalaat.

Het zijn twee kanten van dezelfde medaille. Davis was als kunstenaar in staat om zich op een sensitieve wijze te uiten. Privé kon hij zich onuitstaanbaar gedragen of zich overgeven aan zelfvernietiging. Hij heeft het de vrouwen in zijn leven niet gemakkelijk gemaakt.

Dan is het een schrale troost voor hen dat ze vereeuwigd zijn op zijn platenhoezen.


Miles Davis wilde beslist geen witte vrouwen op de cover van zijn albums, wat in die tijd wel gebruikelijk was. Hij schoof voor die foto’s bij voorkeur zijn eigen vrouw of vriendin naar voren zoals in het geval van Someday My Prince Will Come (1961, Frances Taylor), E.S.P. (1965, Frances Taylor), Sorcerer (1967, Cicely Tyson) en Filles de Kilimanjaro (1969, Betty Mabry).  

Hij wist precies wie hij kon gebruiken voor zijn projecten. Zonder Marcus Miller had hij Tutu niet kunnen maken. 

Dat had hij ook met Gil Evans. Ze hebben samen maar een paar platen gemaakt, maar Evans bleef op de achtergrond aanwezig. Ook in de jaren zeventig in die experimentele tijd, al heeft Evans daar nooit de credits voor gekregen. Ze hadden sowieso veel contact met elkaar. Gil Evans heeft zijn zoon zelfs Miles genoemd.  


Wynton Marsalis ongevraagd op podium met Davis. Miles Davis op North Sea Jazz. De Miles Celebration Tour van Michael Varekamp en gasten.

Davis had niet bepaald een klik met Wynton Marsalis toch? 

Wynton Marsalis werd al op jonge leeftijd gecontracteerd door Columbia Records, het label dat ook de platen van ‘cashcow’ Miles Davis uitgaf. Tijdens een festival in Vancouver werd Marsalis het podium opgeduwd: ‘Ga maar meespelen met Miles Davis, dat is leuk.’  Davis zat net in een fase dat hij helemaal klaar was met jamsessies. Hij speelde nooit zomaar iets, maar bouwde zijn stukken zorgvuldig op. Daar moet je als snotneus niet zomaar tussendoor gaan lopen. Davis zag Marsalis als concurrent. Dat hij ook nog eens ongevraagd het podium opkwam, was tien bruggen te ver voor hem. Later beweerde Marsalis dat Davis vanaf de jaren zeventig geen jazz meer speelde. Marsalis is een heel ander soort trompettist die in tegenstelling tot Miles juist heel veel noten speelt. Ook Marsalis heeft uiteindelijk veel betekend voor de jazz, met name door de projecten die hij opzette in het Lincoln Center. Dat heeft hij echt gedaan voor de muziek en niet vanuit zijn ego. 

Zijn er ook albums van Miles Davis die je minder goed vindt?

Toen hij in de jaren vijftig aan de heroïne was, vond ik hem niet zo goed. Op de platen die hij opnam met Thelonious Monk en Sonny Rollins presteerde hij ondermaats, je hoort hem struggelen. Met de vier platen voor Prestige, Relaxin’ (1956), Walkin’ (1957 ) Cookin’ (1957) en  Workin’ (1960), revancheert hij zich, daarop heeft hij het weer helemaal te pakken.

Wat kunnen de mensen verwachten van het concert op Davis’ honderdste geboortedag en de theatertour? Speel je zijn muziek? Vertel je zijn levensverhaal?

We vertellen niets. De muziek van Miles Davis nodigt uit tot abstractie. Ik hoop de toeschouwers mee te nemen in dat complexe gevoel. Als je dat gaat uitleggen, sla je alles plat.


© Jazzenzo 2010