Artikel geprint vanaf Jazzenzo.nl

Bergin, Bicudo en Wierbos: breekbaar en meedogenloos melancholisch

CONCERTRECENSIE. Sean Bergin, Rogério Bicudo en Wolter Wierbos, De Drie Gebroeders, Amsterdam, 5 juli '09
door: Rosa Groen

Zo groot als de goedaardige man fysiek is, zo klein en breekbaar kan Sean Bergin zijn in zijn spel. Zijn intonatie is krachtig, de ritmiek verfrissend, zijn verhalen tussen door aandoenlijk en vol humor.

Als Bergin speelt op zijn penny whistle, slaat hij af en toe zijn arm uit, om de vleugel van een vogeltje te imiteren. Het publiek op de boot van Wolter Wierbos lacht erom. Sommige stukjes zijn solo, andere met de Braziliaanse gitarist Rogério Bicudo en trombonist Wolter Wierbos. Sinds enkele jaren organiseren Wierbos en zijn vrouw concerten bij hen thuis op de boot, om een muzikale invulling te geven aan de jazzluwe zomermaanden. Er passen ongeveer dertig mensen op de boot, die mee deinst met de muziek en waar het warm is, maar daardoor niet minder gezellig.

Door de planten heen is Rogério Bicudo te zien, de gitarist die soms zingt, dan weer begeleidt en nu en dan verliefd naar Bergin kijkt als ze samen aan een melodie beginnen. Ze spelen Braziliaanse en Zuid-Afrikaanse liederen. Stukken van meer dan dertig jaar geleden, heruitgevoerd op de nieuwe cd ‘Mixing it’ en nieuwere nummers, die anders klinken door de toegevoegde trombonist. Bij het nummer ‘Grandchild of Brazilian music’ wordt even gediscussieerd, totdat Bicudo zachtjes zegt „Let’s make a mess first?”. Dat doen ze.

Het volle robuuste geluid van Wierbos’ koper past naadloos bij het spel van het duo, al is hij soms wel erg aanwezig wanneer hij in dialoog gaat met Bergin die op allerlei soorten fluiten speelt. Of als hij door het vrolijk gepingel van Bergin op zijn gitaartje heen toetert. Maar dat hoort erbij. Een echte beestenboel wordt het niet, al is dat wel wat Bergin en Wierbos in het verleden gewend waren te maken. Nee, tegenwoordig is het breekbaar en meedogenloos melancholisch.

Wierbos speelt na de pauze een lange solo, die meteen een intro is voor meer lyriek. Bicudo en Wierbos volgen, met een Portugese tekst van de gitarist. Het stuk gaat over een vrouw die altijd klaagt omdat haar man laat thuiskomt, te veel drinkt en nooit op tijd is voor het eten. De muzikanten glunderen: daar kunnen ze zich wel in vinden, lijkt het.

Liedjes van Abdullah Ibrahim worden uit de kast getrokken. Ritmisch en meedeinend met de boot op het water zweeft het trio zich een weg door de verhalen die verteld moeten worden. „Fantasie kan ook realiteit worden”, licht Bergin toe. Het gaat over de Zuid-Afrikaanse traditie van gelovigen, die alles geprobeerd hebben en besluiten om ‘alles anders te doen’ door zich tot God te richten. Bergin heeft niets met het geloof, maar wel met gospel en zijn Zuid-Afrikaanse wortels.

Dan begint ‘Diaspora’, een lied waar Bergin de sax voor oppakt, waar hij vervolgens Stan Getz-achtige klanken uit blaast. Haast zonder aangeven gaat het drietal na lange, zomerse solo’s over op samenspel. Een opgetrokken hand of wenkbrauw is daarvoor genoeg.


© Jazzenzo 2010