Reggie Washington en Matt Garrison muzikale veelvraten CONCERTRECENSIE. Reggie Washington, Matt Garrison, Gene Lake, Porgy en Bess, Terneuzen, 12 november 2011 Twee bassisten en een drummer in een band is een niet veel voorkomende, maar voor Washington een volstrekt logische combinatie. Het idee om met meer bassisten tegelijkertijd te spelen viel niet uit de lucht. Hij probeert het te verwezenlijken in zijn project ReubenS BasS ChoiR. Eigenlijk is dat idee al twintig jaar oud. Hij probeerde over de jaren om BasS ChoiR in verschillende samenstellingen bijeen te krijgen met bassisten als Me’shell N’degeocello, Avishai Cohen, John Patitucci, Marcus Miller, Eric Revis, Matthew Garrison, Richard Bona, Dave Holland en Rich Brown. Maar, een goede bassist is altijd veel gevraagd. Het was dus lastig om er drie of vier tegelijkertijd bijeen te krijgen. Matt Garrison was één van de eersten die hij sprak over dit concept, in 1996. Garrison had nu wat tijd over. Allebei spelen ze graag met Gene Lake. Die sloot aan en het trio ging van start.
beeld: Eddy Westveer
door: Mischa Beckers.
De Amerikaanse bassist Reggie Washington is een muzikale veelvraat die zich thuis voelt in diverse genres. Hij wilde graag een band vormen met een andere bassist. Dat werd Matt Garrison. De heren speelden bij de groten uit de jazzwereld waaronder Pat Metheny, Joe Zawinul, John McLaughlin, Herbie Hancock, Branford Marsalis, Kenny Garret en Lenny White. Met drummer Gene Lake zijn ze nu op tournee in Europa. In Nederland stond slechts één concert gepland, de aftrap van de tour. Daarvoor wilde Washington naar Porgy en Bess. Hij speelde eerder in de Terneuzense jazzclub met Roy Hargrove’s RH Factor en genoot van de sfeer. Zaterdag was hij er met zijn bijzondere trio.
![]()
De bassisten Reggie Washington en Matt Garrison met slagwerker Gene Lake voor hun enige Nederlandse concert in Porgy en Bess.
In Porgy en Bess opende men met Billy Cobham’s ‘Red Baron’, in een erg ontspannen funk uitvoering. Washington en Garrison knikten naar elkaar ten teken dat een solo klaar was en kon worden overgenomen. Vanwege een relatief eenvoudig schema en het ontbreken van een nadruk op de melodie wekte dit de sfeer van een jamsessie op. Anders werd het bij nummer twee. Garrison schakelde een track op zijn laptop in en percussie en zang in Oosterse sferen vulden de jazzclub. De bassist nam die sfeer over in brede akkoorden die hij tokkelde, als speelde hij op een flamencogitaar, en prachtig via tussennoten verbond. Zo voerde hij de spanning in het intro op, tot het moment daar was dat zijn triogenoten invielen. En dat had een enorme impact. Lake zette een complex patroon in en bekrachtigde de beat daarvan met mokerslagen op de snaredrum, waarmee hij als een metronoom het tempo van de laptoptrack volgde. Het toch al hoge volume daarvan werd nog eens extra opgevoerd door de beide bassisten die nu alles uit de (bas)kast(ten) trokken. Garrison was daarin de meest expressieve en experimentele. Op zijn vijfsnarige bas beukte hij er soms akkoorden in metalachtige patronen uit en serveerde waanzinnige solo’s. Een van zijn handelsmerken daarin is het spelen van snelle loopjes over de hele breedte van de hals. Daarbij slaat hij de snaren van boven naar beneden aan met de duim en tegelijkertijd of een fractie van een seconde erna, in tegengestelde richting, met de andere vingers. In een stuk dat dicht tegen een collectieve improvisatie leek aan te zitten improviseerde hij met flageoletten op veel meer dan de gebruikelijke posities. Gelijktijdig draaide hij daarbij zijn hoogste snaar steeds een toon lager totdat hij de improvisatie volledig deed door met de rechterhand die hoogste snaar te tokkelen en met de linkerhand de toon te kiezen door aan het stemmechaniek te draaien. Nog gekker: toen Washington het heft in handen nam, ondersteunde Garrison het ritme door de jackplug van zijn gitaarsnoer steeds in en uit de gitaar te halen met als resultaat scherpe plofgeluiden. Maar Garrison had dit soort trucjes helemaal niet nodig om indruk te maken. Het was prachtig om hem te horen begeleiden met akkoorden. Gespeeld met vier en veelal vijf snaren bedacht en vond hij steeds weer nieuwe varianten. Niet zelden tokkelde hij en creëerde daarbij een additioneel baspatroon onder de akkoorden.
![]()
Matt Garrison, Reggie Washington, Gene Lake.
Washington was wat bescheidener, hij zat ontspannen op zijn kruk, benen gekruist en liet Garrison ook meer soleren. De solo’s van Washington waren vaak melodieus maar hij moest wat meer zoeken naar vloeiende lijnen. Hij bracht ook de meeste funkelementen in. In zijn interpretatie van ‘Für Elise’ bijvoorbeeld of Serge Gainsbourg’s ‘Requiem pour un con’. In dit soort uitvoeringen had Lake een belangrijk aandeel. Door zijn vernuftige (verschuiven van) accenten en stops zorgde hij voor een aanstekelijke groove. Washington speelde het thema ingetogen en vormde mooie twee– en drieklanken. Maar, het was een grote opstap naar het middenstuk waar de bassisten loos konden gaan. Beiden kozen hier niet om voor de slapkunstenarij te gaan, maar improviseerden met puntige solo’s en akkoorden, die vloeiend verschoven en percussief getapped en gesyncopeerd. Funk dus, in een aantal varianten. Soms keihard, maar met veel meer lagen dan de P-funk van bijvoorbeeld Bootsy Collins. Soms complex en ingenieus. Het muzikale pad van Garrison en Washington kruiste bij Steve Coleman en het M-base Collective en dat was bij vlagen te horen. Maar ook zwaarder materiaal waarbij de laptoptracks van Garrison als basis dienden. Daarbij werden steeds diverse onderdelen met elk hun eigen ritmiek, thema’s en invulling aaneengeregen. En een rustig en ingetogen stuk als ‘Mr. Pastorius’ kwam voorbij.
Getoond werd dat een basgitaar veel verschillende geluiden, nuances en gevoelens kan weergeven en dat je er net zo goed als op gitaar, saxofoon et cetera diverse tonale modi en klankkleuren mee kan creëren. Washington wilde hier graag mee experimenteren en met dit trio zijn de eerste stappen gezet. Garrison en Washington zijn verschillende typen bassisten en vullen elkaar goed aan. In Lake hebben ze een prima drummer. Subtiel maar een krachtpatser en geweldenaar als het stuk daarom vraagt en qua funk en groove zeer sterk.
© Jazzenzo 2010