Artikel geprint vanaf Jazzenzo.nl

Brad Mehldau: 'zorgen dat je gepassioneerd blijft is het beste recept'

INTERVIEW
door: Erno Elsinga








Brad Mehldau over muziek, studeren, improviseren
en voorbereiding.



Komende week - van 11 tm 14 november - is het Brad Mehldau Trio voor vier concerten in Nederland. De concertenreeks is onderdeel van de 36 shows die het trio geeft, verspreidt over Europa en in zes weken tijd. In september bracht de pianist het album 'Day is Done' op de markt: een ongekend goede plaat met Larry Grenadier (b) en nieuwkomer Jeff Ballard (d), als opvolger van drummer Jorge Rossy die een carriere als pianist startte. Day is Done verschijnt precies 10 jaar na het debuutalbum van de pianist: 'Introducing'. Een jublileum als 'a recording musician'. Redenen genoeg voor een interview.

E: Je woont onder andere in Amsterdam. Hoeveel tijd per jaar breng je in de stad door, wat doe je er zoal, bevalt de stad je?
B: Mijn vrouw is de Nederlandse zangeres Fleurine. Zij heeft altijd haar appartement in Amsterdam aangehouden hoewel we de meeste tijd van het jaar in de States wonen.Vermoedelijk brengen we een maand of 3 per jaar in de stad door. Ik hou van Amsterdam, natuurlijk - how could you not? Het is een grote stad in termen van cultuur en geschiedenis, maar het voelt niet zo groot aan als bijvoorbeeld New York of Parijs. Grote steden kunnen soms zo verstikkend zijn. In Amsterdam is er ruimte om te ademen.

In Amsterdam brengen we veel tijd door met vrienden en de familie van Fleurine. We gaan vaak uit eten, of we fietsen langs de Amstel, we gaan wel eens naar Artis... 'normal Amsterdam stuff!' Ik ga veel naar concerten in het Concertgebouw, en soms ga ik wel eens naar het Bimhuis.

E: Speel je wel eens in sessies, in Amsterdam, of überhaupt?
B: Nee. Maar dat geldt niet alleen voor Amsterdam. In jamsessies meespelen, met enige regelmaat dan, heb ik al in geen jaren meer gedaan. Toen ik begin twintig was had ik snabbels in New York waarbij ik een sessie leidde. Het is een van de moeilijkste snabbels die er zijn; je moet onderhandelen tussen iedereen zijn of haar ego en onzekerheid. Bij gelegenheid steek ik mijn hoofd wel eens om de deur (in Amsterdam of waar dan ook) om te horen wat er gaande is. Soms gebeuren er muzikaal spannende dingen en ontdek ik een muzikant waar ik nog nooit van gehoord heb. Dat is altijd prettig om mee te maken.

E: Hoe bereid je je voor op een trioconcert, hoe op een soloconcert? Is er een verschil van benadering?
B: Er is heel weinig voorbereiding nodig voor een trioconcert - we spelen een beetje tijdens de soundcheck. Van tijd tot tijd oefenen we een stuk, maar meestal hebben we dat al eerder gedaan. Dit in tegenstelling met de voorbereiding op een soloconcert waar ik voor aanvang zo'n 20 of 30 minuten oefen en opwarm, soms nog langer. Een solo optreden is, zeker op het technische gebied, veeleisender. Er zijn ook een paar arrangementen die ik uitgewerkt heb voor mijn solo performances en die ik in mijn vingers moet houden door ze regelmatig te oefenen.

Ik heb nooit een mentale voorbereiding op een concert ontdekt die op de een of andere manier een opwindende, doeltreffende performance garandeert. Ik weet dat sommigen voor aanvang van een concert bijvoorbeeld lange tijd zingen. Sommigen mediteren, sommigen roken een joint, etc... Mijn persoonlijke ervaring met dat soort van doelbewust voorbereidende rituelen is, dat zelfs al zou je ze doen je nog altijd dat podium op kunt gaan en de muziek die je speelt 'sucks'. Of, het tegenovergestelde kan gebeuren. Je neemt het vliegtuig, je arriveert en gaat rechtsreeks naar je optreden. Moe en hongerig. En dan blijkt het een van de beste concerten te zijn die je ooit gegeven hebt.

Het is niet dat ik 'het voorbereiden op' niet serieus neem, maar voor mij is het hele proces meer holistisch: alleen maar met regelmaat je muziek studeren en zorgen dat je gepassioneerd blijft voor muziek is het beste recept voor een creatieve performance. Wat ik wel probeer te doen voor een optreden is een beetje mediteren, maar niet om een beter concert te bewerkstelligen - dat mij een teken van slecht vertrouwen lijkt. Het mediteren doe ik om de uitkomst van een optreden te accepteren, met waardigheid, wat de uitkomst ook moge zijn - meer een spirituele oefening.

E: Studeer je veel?
B: Ja, ik oefen veel en studeer veel muziek. De enige keer dat ik niet met regelmaat piano studeer is wanneer ik op tournee ben. Als ik op tournee ben dan is alles 'output'. Ik denk veel in termen van verscheidenheid tussen 'input' en 'output'. Input is muziek absorberen: een score studeren, een geschreven stuk muziek leren, naar muziek luisteren, literatuur over muziek lezen, het lezen van welke literatuur dan ook dat van invloed zou kunnen zijn op mijn begrip van muziek, het gaan naar andere musici hun concerten. Output is spelen en optreden: alles wat ik in me opgenomen heb komt er uit en stop ik in een muzikaal statement, in een optreden.

Mijn oefenen is niet vastgelegd in een specifieke routine, maar er zijn een paar algemene karaktertrekken. Gewoonlijk werk ik meestal aan op zijn minst een muziekstuk uit het klassieke genre. Een uitgeschreven stuk studeren, en leren hoe het te spelen, loont zich op verschillende niveaus. In de eerste plaats is er het vanzelfsprekende plezier dat je krijgt bij het muziek maken zelf. Het is ook een directe manier voor het verkrijgen van een pianistisch vocabulaire, door het observeren van de handigheden van een specifieke componist, en deze te absorberen in mijn eigen spel.

Vaak, is het oefenen meer technisch. Ik studeer geen 'voor-geschreven' oefeningen; ik geef er de voorkeur aan mijn eigen oefeningen te maken. Op deze manier benader ik een specifiek technisch probleem waar ik tegen aan ben gelopen, tijdens het improviseren, waarbij ik ontdek dat ik iets niet effectief kon uitvoeren. De truc is eigenlijk, dat je als jazzmuzikant, die gericht is op het spontaan improviseren, en dat als ideaal nastreeft, je een manier moet vinden om improviseren 'te oefenen'. Het begrip van het 'oefenen van improviseren' is tot op bepaalde hoogte een contradictie in terminis. Wat het betekent is voortdurend gefocust te zijn op wat ik niet kan en dan, als ik het wel kan, verder te gaan met iets anders om zodoende niet vast te blijven zitten in een idee in de zin van dat het een 'worked out lick' wordt.

E: Introducing, je eerste cd, is van 1995. Day is Done uit 2005. Je bent dus 10 jaar 'recording musician'. Gefeliciteerd!
B: Nou, dank je wel man!

E: Hoe kijk je op die tien jaar terug, hoe zie je je eigen muzikale progressie, de belangrijkste punten.
B: Ik denk in termen van twee ontwikkelingen: eentje als een triospeler, en een als solospeler. Met het trio is de ontwikkeling totaal gerelateerd aan de muzikanten met wie ik speel: in de eerste plaats Larry Grenadier, de drummer Jorge Rossy, en gedurende het laatste jaar drummer Jeff Ballard. Dat wil zeggen: mijn ontwikkeling als muzikant, ongeacht mijn persoonlijke stijl, is direct beïnvloedt door deze muzikanten. En ik denk dat voor hen hetzelfde geldt; dat het spelen met mij hén heeft beïnvloedt. Het 'geven en nemen' dat gaande is op het moment dat mijn eigen identiteit wordt verbonden met die van hen, is fantastisch.

De ontwikkeling van het trio begon pas echt, ongeveer 10 jaar geleden. Mijn ontwikkeling als solospeler begon iets later, zo'n 6 jaar geleden. Het is natuurlijk ook meer een 'verwijzing naar jezelf'. ik heb het gevoel dat ik mijn eigen stijl als solospeler pas recentelijk heb ontwikkeld, dat wil zeggen, de stijl die ik wil presenteren aan de rest van de wereld, aan het publiek.

E: Day is Done is opgenomen in één dag. Is dat iets dat goed bevallen is en voor herhaling vatbaar? De 'first takes' klinken vitaal; mooie dynamiek en mooi groepsgeluid.
B: Dank je voor je compliment. Ik zou niet willen zeggen dat het standaard een regel is dat de 'first take' altijd de meest inspirerende is, maar een ding dat me vaak gebeurt in de studio is dit: je doet een first take. En het is erg inspirerend en opwindend, maar er is een focus ontstaan waarin termen als spanningsboog en vorm van de tune ontbreken, of er is in het spelen een slordigheid gekropen. Je doet een 'second take'. De focus en precisie zijn daar, de uitvoering en de vorm en integriteit ook, maar het heeft iets minder opwindends in zich, meestal komt dit door het feit dat de inspiratie verminderd doordat je net 'take one' hebt gespeeld. Om het vulgair te zeggen: het is een beetje hetzelfde om te proberen nog eens sex te hebben nadat je net gevreeën hebt.. Het kost een beetje moeite; het is minder opwindend.

Maar gedurende de opnamesessies van Day is Done, something cool happened. We kregen een mooie mix van opwinding en concentratie tijdens de first take van de meeste nummers; het kwam allemaal meteen 'samen'. Toen we die synergie voelden, hebben we geen moment meer overwogen om nog een 'second take' te doen.

(Op Mehldau zijn website verteld Brad uitvoerig over het verloop van de opnamesessies. Onderaan dit interview vind je een link naar dit schrijven. Wij laten dit onderwerp verder rusten).

E: Nogal wat pianisten die ik ken spelen piano én Fender Rhodes.
B: Ik heb naar veel pianisten geluisterd die de Rhodes gebruikten, en daar erg van genoten. Ik heb op twee platen ook de Rhodes gebruikt, ik dacht als sideman, eentje met Mark Turner en eentje met Chris Cheek. Ik hou van de Fender Rhodes, en de Wurlitzer, nu we het er toch over hebben, omdat het echte instrumenten zijn in de zin van dat ze snaren hebben en iets vergelijkbaars met de piano hebben, zoals het hamer-mechanisme. De reden waarom ik niet meer dan nu gebruik maak van de Rhodes, is niet omdat ik de Rhodes niet interessant genoeg vind, maar zit hem meer in het feit dat het geluid van de reguliere akoestische piano me meer bezig houdt, en dat vraagt op dit moment al mijn tijd en interesse.

E: Wat is eigenlijk je favoriete piano, en waarom?
B: Steinway. Steinway is geen foutloze piano. Er zijn altijd problemen in het bovenste gedeelte van het midden register van het instrument - je kunt dat bijna garanderen. Dit heeft te maken met de specifieke bouw van de piano. Maar het heeft, in het algemeen, de meest mooie toonkwaliteit. Dit is subjectief, natuurlijk. Ik geef de voorkeur aan een donkere toon, maar veel jazz spelers geven de voorkeur aan een meer helder klinkend instrument, en geven de voorkeur aan een Yamaha of een Bösendorfer. Ik hou ook van Fazioli piano's, ofschoon de enige gelegenheid die ik heb om op een Fazioli te spelen, is op het Umbria festival in Italie.

E: Je speelt 36 keer in zes weken. Zit er veel verschil tussen publiek in de landen die je bezoekt?
B: Ik heb nooit veel verschil in publiek, in termen van individuele landen, kunnen ontdekken. Het verschil zit hem meer van avond tot avond: een avond heb je een levendig publiek, en de volgende avond is het publiek meer gereserveerd - you never know.


© Jazzenzo 2010