Jazz in Duketown. In gesprek met Goudsmit, Brecker en Toots INTERVIEW De ontvangst kan niet beter uittekenen hoe spontaniteit tot de chaos leidt, die het leven van gitarist Anton Goudsmit zo tekent. Of ik iets wil drinken? Zeker. Thee maar? Goudsmit laat een ketel vollopen, ontsteekt het gasfornuis en zet de ketel op de pit daarnaast. Als hij erop wordt gewezen, verplaatst hij de ketel om die vervolgens na korte tijd weer van het vuur te halen. Resultaat: het water is lauw en de thee kan daardoor nauwelijks trekken. En intussen maar praten, praten, praten. Anton Goudsmit heeft een missie. Zegt-ie zelf. “Mijn kwaliteit is me muziek eigen te maken die door anderen wordt aangereikt.” Dat je dan vaak moet omschakelen: geen punt. “Het vult zich vanzelf uit door de manier waarop je speelt en met wie. Er zijn hopen mensen die liever in de Heineken Music Hall met een showtje worden besodemieterd en na een uur door het personeel eruit worden geflikkerd. Dat is er bij mij niet bij.” Leren doet Anton Goudsmit nog altijd. “Als gitarist kun je liggend op de bank met een pretsigaret erbij uren lekker pielen. Wel effe anders dan een strijker die aan zijn precieze toonvorming moet werken. Een gitaar is altijd vals met zijn scheve fretten en vaak oude snaren. Maar geen nood, twee jaar geleden leerde een strijker me plots stemmen.” --- Noem de naam Randy Brecker en de doorsnee jazzfan repliceert met ‘Brecker Brothers’. Maar die band is al 26 jaar Goud van Oud. De broers Randy en Michael Brecker gingen vanaf 1979 hun eigen weg. Wat de eerste betreft met veel plezier. “Ik heb prettige herinneringen aan de vijf jaar ‘Brecker Brothers’. Ik kijk nog met plezier naar video’s en luister graag naar cd’s uit die tijd. Maar ik leef nú en daar gaat het om”, zegt de Amerikaan. De inmiddels 60-jarige trompettist – “Ik hou meer van muziek dan van mijn vrouw”- studeerde in Philadelphia klassiek trompet en speelde vrijwel meteen in een big band. In 1967 kwam hij in New York in de legendarische popgroep Blood, Sweat & Tears terecht, maar omdat hij liever pure jazz wilde spelen, stapte hij over naar het kwintet van pianist Horace Silver. Tegelijkertijd maakte hij deel uit van de big bands van Thad Jones/Mel Lewis, Joe Henderson, Clark Terry, Duke Pearson en Frank Foster. Na de periode van The Brecker Brothers ging Randy vooral zijn eigen ding doen. Hij trad op als studiomuzikant en ging touren met eigen groepen. Bovendien ontwikkelde hij zich als gastsolist bij jazzreuzen als de bassisten Charles Mingus en Jaco Pastorius, (ex-vrouw en) pianiste Eliane Elias en altsaxofonist David Sanborn. Geen wonder, het technisch hoogstaand spel van Randy Brecker, met omfloerste verwijzingen naar legendes als Miles Davis, Freddie Hubbard en vooral Lee Morgan, is uit duizenden te herkennen. Zijn eigen muziek indelen in een hokje is Randy Brecker een gruwel. “Noem haar maar hoe je wilt. Ik wil niets horen van jazz of fusion. Ik noem haar gewoon: muziek. Het is altijd een mix van akoestische en elektrische elementen.” --- Er is nog nauwelijks een woord gesproken, of Toots Thielemans priemt zijn pink naar voren. Hij wijst op een ring met monogram. “Hoort bij mijn benoeming tot baron. Baron Jean Baptiste Thielemans!” lacht hij breeduit. De half-Belg, half-Amerikaan doorspekt zijn spreektaal met Engels. “Nu is de periode van ‘Thank You’ aangebroken. In mijn land baron, in Brazilië ben ik tot Commendatore benoemd in de Ordem de Rio Branco. Ook een soort Thank You.” En dat was nog niet alles: op 16 maart kreeg Jean ‘Toots’ Thielemans een daverend feestje aangeboden in de prestigieuze Carnegie Hall in New York. De reden? Vijftig jaar in het vak. Thank You dus weer. Allemaal waren ze er, de knallers van de jazz: Herbie Hancock, Paquito d’Rivera, Kenny Werner, Joe Lovano, Ivan Lins en vele anderen. Of Carnegie Hall het hoogtepunt in zijn carrière was? “Ach, het is net als de voetballer die met zijn team wereldkampioen wordt.” Zo’n relativerende reactie kun je natuurlijk verwachten van een man die 84 jaar is, muzikaal gelouterd doordat hij gedurende een halve eeuw bij werkelijk iedereen zijn mondharmonica door de muziek mengde. “Ik zoek geen werk, ben altijd uitgenodigd”, constateert hij droogjes. “Door Sarah Vaughan, Ella Fitzgerald, Peggy Lee, Paul Simon, Billy Joel.” Maar het tekent de grootsheid van deze kleine man dat hij zich van legendes niets aantrekt. Op 27 april speelde hij nog vol vuur in een feesttent in Rijen, op zijn verjaardag twee dagen later trad hij aan op een folkfestival in het Vlaamse De Panne. “Spelen wil ik, altijd maar meer. Music is my priority. Ik ben de eerste die weet wat ik kan. Is altijd zo geweest. Toen ze in België geen belangstelling voor me hadden, ben ik in 1951 naar Amerika gegaan. Als ik daar kinderen had gehad, was ik er misschien wel blijven wonen. Sinds 1952 heb ik twee nationaliteiten.” In de Lage Landen is Toots Thielemans zonder meer de bekendste jazzmusicus. Hij heeft zich met zijn spel en zijn meer dan charmante presentatie tot een absolute publiekslieveling gemaakt. Maar nu de herfst van zijn leven alsmaar vordert, is het dan fysiek met toch al een zwakke gezondheid - die zo’n 25 jaar geleden ook nog eens werd aangetast door een hartaanval - nog wel allemaal op te brengen? Alweer die lach: “Het is een kwestie van genieten. Bovendien zorgt mijn vrouwke goed voor me. En op tournees mijn manager wel. Natuurlijk doe ik het rustiger aan: niet op één dag reizen en spelen. Maar oefenen doe ik elke dag. Thuis op de bank of in bed, mijn mondharmonica ligt altijd op het nachtkastje. In vliegtuig of auto heb ik m’n iPod. Eveneens om te studeren, maar ook om te horen wat er om me heen gebeurt.” En dat is heel wat. Neem nu ‘One More For The Road’, de nieuwste cd van Toots, met composities van Harold Arlen, waarop hem de ene na de andere hommage wordt gebracht: door crooner Jamie Cullum, Billie Holiday-adept Madeleine Peyroux, blueszangeres Beth Hart, maar ook door de Nederlandse zangeressen Trijntje Oosterhuis en Laura Fygi. Natuurlijk speelt Toots Thielemans volop mee. Want: “Plezier is de noodzaak. Centjes spelen geen rol meer. Alles is betaald.”
door: Rinus van der Heijden
Naar aanleiding van het Jazz in Duketown Festival in Den Bosch interviews met Anton Goudsmit, Randy Brecker en Toots Thielemans, mei 2006.
Anton Goudsmit: op de bank pielen met een pretsigaretje
Wanorde leidt bij Anton Goudsmit tot een prettig gesprek. Over het duo met violist Oene van Geel, over gitaarstemmen, over zijn nieuwe damesbrommertje, tja, over wat eigenlijk níet?
“Oene is de meest ritmische figuur die ik ken. Dat is één grote uitdaging voor mij. Met tweeën proberen we combinaties te maken die werken. We hebben twee keer samen gespeeld. Hebben maar zes stukken. Voor Jazz in Duketown moeten er nog wel wat bij. Geen probleem, Oene schrijft zich suf. Of er genoeg mogelijkheden zijn tussen een gitarist en een violist? Dacht het wel: Oene strijkt en plukt, gebruikt elektronica, trommelt op een kist, hij houdt van klassieke muziek en nu ineens ook van zigeunermuziek.”
En Anton Goudsmit zelf? Hij heeft zich in een jaar of acht ontwikkeld tot de boeiendste gitarist van Nederland. Hij speelt zoals het bij hem opkomt: chaotisch, voor zijn medemusici onberekenbaar, maar daardoor maar wat interessant. “Ik probeer te menen wat ik speel”, zegt hij. “Ik ga graag loos, maar ritmisch is het nooit vaag. Aan de suggestie van ritme heb je al genoeg, dan is het net of er een metronoom gaat tikken in de hoofden van het publiek. Met het duo met Oene komt daar nog bij dat je het nog langer spannend kunt maken met kleine, zachte geluiden. Enne, soms drukt hij een elektronisch apparaatje in waardoor hij een zwaar basgeluid krijgt. Dan spelen we snel wat funkdingetjes van mij.”
Hoe hij zich ontwikkelt als gitarist? “Ik heb een hekel aan termen als ‘smaakvol’. Af en toe word ik wakker geschud, bijvoorbeeld toen ik met Benjamin Herman bebop moest gaan spelen. Wist ik veel. Ik onderhoud veel bandjes, zij blijven daardoor op een of andere manier bestaan: New Cool Collective, Corrie van Binsbergen, Haas & The Guitar Bandits en Fugimundi met Eric Vloeimans en Harmen Fraanje.”
Goudsmit speelt zo’n drie, vier keer per week. Al acht jaar lang. En verder? “Ik heb geen rijbewijs. Heb pasgeleden een brommertje gekocht, voor de lol. Een echt wijvending. Tuf er graag mee door Amsterdam, naar de Cotton Club bijvoorbeeld, mijn stamkroegje.”
Randy Brecker: koning van de big bands
Een logische stap in zijn carrière voltrok zich toen de jazzrock opkwam en hij met broer Mike en slagwerker Billy Cobham Dreams oprichtte. Commercieel succes bleef uit, maar Randy en saxofonist Michael hadden hun naam gevestigd: via Larry Coryell’s Eleventh House Band en de groep van Billy Cobham kregen zij zoveel bekendheid, dat ze hun eigen winkeltje openden: The Brecker Brothers. Zij ontwikkelden een groepsgeluid dat voor velen nog altijd de standaard is: complexe, hoekige melodieën, gelegd op veelal snelle, funky ritmes.
Het mag duidelijk zijn, dat bigbands een belangrijke plaats innemen in het leven van Brecker. “Maar het zijn tegenwoordig dure instituten, waarmee het moeilijk reizen is”, vertelt hij. “Daarom speel ik vaak als solist in andermans groepen. Een voorkeur voor eigen of andermans groepen heb ik niet. Ik houd van veranderingen en nieuwe uitdagingen. Bovendien vind ik het leuk mijn eigen stukken te spelen in elke nieuwe situatie die ik tegenkom.”
Wat dat laatste betreft voegt hij de daad bij het woord tijdens Jazz in Duketown. Op zondagmiddag treedt hij op de Parade dan aan met de Dual City Concert Band uit Hengelo/Enschede. Met hen speelt hij uitsluitend eigen repertoire.
Zestig jaar en geen moment rust, zo lijkt het leven van Randy Brecker er uit te zien. Ten tijde van dit gesprek reisde hij in drie weken tijds door Japan, Israël, Tunesië, Duitsland, Noorwegen, Spanje, New York en Monaco. Soms met zijn eigen kwintet, soms met de groep Soulbop, die hij samen met saxofonist Bill Evans leidt. “Deze zomer touren we ermee door Europa en de Verenigde Staten. Tijdens het reizen kun je niet veel anders doen dan componeren. Ik kan het geluid van mijn toeter via de computer zo in een laptop laten lopen. En dus schrijf en schrijf ik maar.”
Plezier is de noodzaak voor Baron Toots
Toots Thielemans is inmiddels 84 jaar. Maar de vergevorderde herfst van zijn leven zit hem nog niet dwars.
© Jazzenzo 2010