Indrukwekkende staalkaart Europese jazz op JazzBrugge 2006 (3) JAZZ BRUGGE FESTIVAL, Groeningemuseum, Concertgebouw Brugge, 8 oktober 2006
beeld: Jacky Lepage, Peter Borgerding
door: Mischa Andriessen
Voor de slotdag van Jazzbrugge stonden behalve de interessante acts Koppel/Andersson/Riel, Jean-Marie Pilc en Doppelmoppel, twee regelrechte toppers op het programma; het trio van de Zweedse pianist Bobo Stenson en het kwintet rond het Italiaanse pianotalent Stefano Bollani.
Bobo Stenson, Anders Jormin, Jon Fält
Bobo Stenson Trio, concertzaal Concertgebouw, 8 oktober
Misschien wel de grootste naam op het affiche van Jazzbrugge 2006 was het trio van de Zweedse pianist Bobo Stenson. Stenson heeft voor ECM-records prachtige platen gemaakt met onder meer Charles Lloyd, Jan Garbararek en Tomasz Stanko en ook met zijn eigen trio dat naast hem uit bassist Anders Jormin en drummer Jon Christensen bestaat, heeft hij een indrukwekkend oeuvre opgebouwd.
Vaste drummer Jon Christensen was er in Brugge helaas niet bij en dat bleek een gemis. De poëzie die Stenson in samenspraak met de terecht veel geroemde Jormin voortbrengt, heeft in het stekelige, onorthodoxe spel van Christensen het ideale tegenwicht. Zonder dat scherpe randje dreigt de muziek te mooi of anders gezegd wat spanningsarm te worden. De jonge drummer Jon Fält probeerde het spel van zijn voorganger te benaderen, maar zijn manier van spelen is nog te druk en vooral te weinig verrassend.
Dan maar te mooi. Eigenlijk is dat geen probleem zo bleek. Stenson pakte klassiek uit met materiaal van Alban Berg, Henry Purcell en Charles Ives en ook hij benutte de fantastische akoestiek ten volle. Stap voor stap was te volgen hoe piano en bas in perfecte balans met elkaar en om elkaar heen speelden, zonder ook maar een overbodige noot. De subtiliteit van zowel Stenson als Jormin blijft onevenaarbaar.
Stefano Bollani, Ferruccio Spinetti, Alex Riel
Stefano Bollani Quintet, concertzaal Concertgebouw, 8 oktober
Jazzbrugge heeft iets met Stefano Bollani en Stefano Bollani iets met Jazzbrugge. De Italiaansse pianist was op alle drie edities te gast. “Hoe kan dat? Ben ik de artistiek directeur van het festival?” vroeg hij voor de toegift aan saxofonist Mirko Guerinni.
Humor is een belangrijk element in de muziek van Bollani, maar niet alleen daarom is goed te begrijpen waarom de programmeur van Jazzbrugge zo op hem gesteld is. Afgezien van zijn formidabele muzikale capaciteiten (luister bijvoorbeeld naar zijn onlangs verschenen solo cd) is hem zien spelen een fantastische belevenis omdat hij zo meeleeft met de muziek. Zijn enthousiasme te zien, die drukke bewegingen achter de piano, is al meer dan een uur lang mateloos boeiend, maar gelukkig was dat niet het enige.
Bollani heeft een sterk kwintet, met twee blazers, de genoemde Guerinni en klarinettist Nico Gori die Bollani en elkaar stevig weerwerk bieden. De manier waarop zij om beurten de bas- en melodieparijen van Bollani’s piano oppakten en omwisselden, bleek een uitermate frisse en verrassende vondst. Bassist Ferruccio Spinetti blonk uit met fijnzinnig spel en de show werd gestolen door de energiek invallende drummer Alex Riel (de aangekondigde drummer Cristian Calcagnile bleek in Italië op het vliegveld gestrand te zijn) . De uitbundige en vrolijke muziek schurkt zoals veel Italiaanse jazz zo nu en dan tegen volksmuziek aan. Een van de dingen die haar zo mooi maakt, is dat zij lijkt op degene die haar heeft bedacht; ze is origineel en geestig en heel, heel speels. Dat de groep zelfs met een invaller zo hecht klonk, verdient bovendien zeker een compliment.
Afgaande op zijn afscheidsgroet “tot over twee jaar” rekent Bollani erop dat hij bij de volgende editie van Jazzbrugge weer van de partij is. Voor de organisatie, die het hele festival door voortreffelijk was, lijkt mij dat helemaal geen slecht idee.
Jean Marie Pilc
Jean-Marie Pilc, kamermuziekzaal Concertgebouw, 8 oktober
Het derde concert in de kamermuziekzaal was in zekere zin een mix van de twee voorgaande. De franse pianist Jean-Marie Pilc is net zo’n tegendraads genie als Misha Mengelberg, maar de woeste tonen clusters die hij nu en dan schuinbaar vanuit het niets uit zijn piano ranselt, zijn niet bedoeld om te verstoren. Zij geven reliëf aan het lyrische spel dat net als dat van Rita Marcotulli perfect tot zijn recht kwam door de fantastische akoestiek.
Pilc heeft wel eens gezegd dat hij bij een solo-optreden een volledige band in zijn hoofd hoort en dat het de uitdaging is om al die denkbeeldige bandleden een stem te geven. Naarmate het optreden vorderde lukte het hem dat steeds beter. Pilc beschikt over een ongelofelijke techniek, maar zet die in om echt ‘te spelen’. De manier waarop hij van de Miles Davis’ klassieker “Blue in green” een totaal nieuw nummer maakte waarin het origineel toch duidelijk herkenbaar bleef, was ronduit verbluffend. Pilc kan als een razende tekeer gaan op zijn instrument, maar dat is nooit alleen om zijn spierballen te showen. Misschien wel het beste bewijs van zijn klasse was het tweeluik “How deep is the ocean” en “Always” dat door Pilc werd uitgebouwd tot een meeslepend epos waarin al zijn talent etaleerde zonder te hoeven patsen.
Uwe Kropinsky, Johannes Bauer, Helmut Bauer
Doppelmoppel, concertzaal Concertgebouw, 8 oktober
Het Duitse Doppelmoppel was een van de weinige bands die ik al eerder aan het werk had gezien. Vorig jaar maakte de groep veel indruk tijdens een optreden op het Rumorfestival. Het concert in Brugge was zelfs nog beter. Het geluid in het Brugse concertgebouw is zo goed dat geen detail je ontgaat waardoor het spel van elke goede band aan diepte wint. Voor een groep die het ten dele moet hebben van de spanningsvolle contrasten in klankkleur is een goede geluidsafstelling van groot belang en Doppelmoppel profiteerde optimaal van de geboden kans.
De warme sound van de akoestische gitaar van Uwe Kropinski stak nu nog scherper af bij het rammelkastgeluid van Helmut ‘Joe’ Sachse (door mij destijds beschreven als het geluid van een bestekbak in een op volle toeren draaiende afwasmachine). De gutturale klanken die Konrad Bauer met zijn weergaloze techniek uit zijn bastrombone haalde (die daardoor soms als een didgeridoo klonk) contrasteerde prachtig met de snerpende tonen die zoon Johannes Bauer uit zijn trombone toverde.
Het optreden in Brugge bewees ook dat de muziek van Doppelmoppel niet op een gimmick is gebaseerd. De vernuftige manier waarop de meest wonderlijke tonen aan hun instrumenten ontlokken, is bijzonder onderhoudend om naar te kijken, maar anders dan bij het Sylvain Kassap kwartet voert de show nooit de boventoon. De muziek is altijd het belangrijkste. Kropinski bindt zijn gitaar geen shawl om omdat hij dat leuk vindt staan, maar omdat hij daarmee zijn gitaar als een percussie-instrument kan laten klinken en de muziek daarmee een extra impuls kan geven. Net als het optreden op Rumor was dat in Brugge van begin tot eind spannend. Dat een band je ook de tweede keer zo kan overrompelen, mag een verrassing heten.
Benjamin Koppel, Thommy Andersson
Koppel/Andersson/Riel, Groeningemuseum, 8 oktober
Jazzbrugge boogt op een allesbehalve doorsnee programmering. Met onder meer Misha Mengelberg, Sylvain Kassap, Jean-Marie Pilc en Doppelmoppel op het affiche wordt er nogal wat van de luisteraar verwacht. Na alle extravaganza van Tous Dehors lijkt het Deense trio Koppel/Andersson/Riel misschien wel heel gewoontjes.
De drie muzikanten draaien echter al jaren mee in de Deense scene en hebben, omdat Kopenhagen onderdak heeft geboden aan vele groten uit de Amerikaanse jazz (denk aan Brew Moore en Dexter Gordon), met tal van beroemdheden gespeeld. De groep paart een aangenaam losse speelstijl aan trefzeker samenspel. Gezien het feit dat de groep de avond ervoor nog laat de jamsessie had moeten openen en er voor de bandleden dus niet meer dan een paar uur slaap was weggelegd, maakte de groep een opvallend montere indruk. Benjamin Koppel is een energieke altsaxofonist met een mooie toon. Hij blijft met zijn spel binnen de perken (geen gepiep of geknerp), maar dat is alles behalve saai. Drummer Alex Riel is de betrouwbare en olijke nestor van de groep die af en toe voor een humoristische toets zorgt en samen met bassist Thommy Andersson Koppel alle ruimte biedt. De solo’s van Andersson waren overigens stuk voor stuk juweeltjes.
Het trio speelt voornamelijk eigen werk afgewisseld met een aantal goedgekozen standards als “You don’t know what love is”, “Over the rainbow” en de briljante Sam Rivers’ compositie “Beatrice”. Aan zo’n prachtig stuk valt vrijwel niets te verpesten, maar de drie Denen wisten deze en alle andere klassiekers wel degelijk met bijzonder veel overtuiging en zeggingskracht neer te zetten. Koppel/Andersson/Riel maakte ondanks en misschien ook dankzij het bijzonder gevarieerde en uitdagende programma van Jazzbrugge heel veel indruk.
© Jazzenzo 2010