Artikel geprint vanaf Jazzenzo.nl

IJslandse jazz blijkt grabbelton van muzikale bouwstenen uit gehele wereld

CONCERTRECENSIE. European TryTone Festival met Napoli 23, Flis, TYFT, Paradox Tilburg, 3 november 2006
beeld: Marcel Mutsaers
door: Rinus van der Heijden

Wie vrijdagavond naar Paradox was getogen om een antwoord te krijgen op de vraag: wat is IJslandse jazz, zit waarschijnlijk nu nog met die vraag in zijn maag. Want de drie groepen die in het kader van het European TryTone Festival uit het hoge noorden waren afgezakt, lieten een concreet antwoord achterwege. In plaats daarvan mag worden geconcludeerd, dat IJslandse improviserende musici hun bouwstenen uit muzikale werelden van overal vandaan halen. En daar intrigerende mengvormen van maken.


Hilmar Jensson, Helgi Sv. Helgason, Valdi Kolli

Napoli 23 opende op een opvallende en onverwachte wijze de driedelige muziekestafette. Met twee gitaren, viool en slagwerk schiep het kwartet luie klanklandschappen, vol tere en uitvloeiende, lang aangehouden melodielijnen. Is dit jazz? Jazeker en tevens het bewijs dat de wereld grenzenloos is voor IJslandse improvisatoren. Zoals Eivind Kang zijn viool behandelde leek het instrument de ene keer op een sitar en dan weer op een pipa (Chinese luit). De totaalklank van Napoli 23, met verder Hilmar Jensson en Skúli Sverisson op gitaren en Matthías M.D. Hemstock op slagwerk, kwam het dichtst bij de dromerige muziek van klank- en sfeergoochelaar Stephan Micus.

Van geheel andere orde was Flis, een trio jonge muzikanten. Pianist David Thor Jonsson gaf er al bij de start van het concert blijk van graag in het binnenste van zijn instrument te graaien en te grabbelen. Ook het inzetten van trompet in de muziek deed hem zichtbaar goed. Jonsson, bassist Valdi Kolli en slagwerker Helgi Sv. Helgason zagen er wat betreft kleding uit als alternatieve jongelingen uit de jaren zeventig. Dat is waarschijnlijk geen toeval. Deze jonge musici beschikken over een verbluffende kijk op jazzmuziek in haar breedste vorm. En dan moet je inderdaad wat jaartjes terugkeren in de geschiedenis van improvisatiemuziek. Al die kennis werd adequaat over hun concept uitgesmeerd. Het trio zat het dichtst tegen Westeuropese geïmproviseerde muziek aan en gaf in die hoedanigheid ook blijk van humor door een compositie ‘The Wonderful World of Written Music’ te noemen.

 
Andrew D’Angelo, finale: Napoli 23, Flis en TYFT, Jim Black

Uitsmijter en klapper van de avond was TYFT, opnieuw een trio, maar nu een dat de oerkrachten in jazz trachtte los te weken. Dat ging met duivels geweld, in ijltempo en hoog volume. In de groep zat als spin in een web de Amerikaanse slagwerker Jim Black. Hij droeg als het ware de muziek, die verder werd vertolkt door de altsax en basklarinet van Andrew D’Angelo en de gitaar van Hilmar Jensson. Zo bescheiden als deze laatste zich opstelde in Napoli 23, zo ‘gewelddadig’ was hij hier. Zijn pregnante gitaargeluid vulde de gehele ruimte. Maar boven alles spande zich het majestueuze slagwerkgeluid van Black, vol gebroken akkoorden, bonkend, wervelend en met fraaie intervallen wees hij de weg. Met daarbij een jagende en speurende altsax en de exploderende gitaar ontspon zich hier jazz in de puurste vorm.

Opvallend was het krachtspel van D’Angelo. Met opeengestapelde notenreeksen, talloze tempowisselingen en een onverbiddelijke toon deed hij terugverlangen naar de dagen dat de Britse altsaxofonist Courtney Pine regeerde over nieuwe invloeden in de jazz. Het concert van dit gezelschapje werkte naar een absolute climax toe, toen de overige IJslanders op het podium werden uitgenodigd. Naast de ‘machtige’ Jim Black, die fysiek overigens met een klein postuur door het leven moet, was zelfs plaats ingeruimd voor slagwerker Helgason van Flis. Op zijn hurken beroerde hij naast de Amerikaanse grootmeester wat lichte percussie.
Met zijn allen zorgden deze IJslandse improvisatoren voor een prachtige en indringende editie van het European TryTone Festival 2006.


© Jazzenzo 2010