Marc Ribot’s Spiritual Unity: fascinerende reis met pieken en dalen CONCERTRECENSIE. Lantaren-Venster Rotterdam i.s.m. J.I.R, Marc Ribot’s Spiritual Unity feat. Henry Grimes, 4 november 2006
beeld: Hans Reitzema
door: Mischa Andriessen
Een van mijn lievelingsplaten in de tijd dat ik er nog lang niet over prakkiseerde om naar jazz te luisteren, was Gavin Friday’s “Each man kills the thing he loves”. Ik was (en ben) bijzonder gesteld op het slotnummer van die lp “Another blow on the bruise” en dan met name op de gitaarsolo’s in dat lied. Pas onlangs ontdekte ik dat die zijn ingespeeld door Marc Ribot.
vlnr: Marc Ribot, Henry Grimes, Roy Campbell
Dat was een leuke verrassing, maar verbazingwekkend is het niet. Ribot heeft een uitgebreide staat van dienst en wat stijl betreft, is hij beslist niet honkvast. Een van zijn grootste kwaliteiten is dat hij altijd, of hij nu pop speelt of heavy avant-garde, als zichzelf klinkt. Mede daarom is hij een van mijn lievelingsgitaristen.
Toen ik serieus begon met schrijven, wilde ik schrijven zoals Albert Ayler muziek maakte. Daarvoor was het vooral het punkadagium “Do it yourself” geweest dat mij inspireerde, maar Ayler voegde aan die al heel krachtige stelling iets toe dat fascinerend en heel eigen was. Om die reden neemt hij binnen de ‘free jazz’ (of ‘new thing’ zoals de muzikanten zelf de stroming liever benoemden) nog altijd een unieke plaats in. In tegenstelling tot de anderen leek Ayler helemaal geen concept te hebben. Hij had preoccupaties en idealen die beide tot demonen van de jonggestorven saxofonist werden, maar geen uitgangspunt anders dan aftellen en beginnen. Voor hem was het zoeken minstens zo belangrijk als het vinden. Ayler ging het oerwoud in zonder kapmes of kaart. Zijn muziek werd een reisverslag waaruit niets werd weggelaten. Elke stap was relevant op weg naar het einddoel. Wat dat moest zijn, was voor hem zelf waarschijnlijk ook een raadsel.
Aylers muziek heeft dezelfde energie als het late werk van Coltrane en de eerste platen van Archie Shepp. Zij heeft de rebelse speelsheid van Ornette Coleman en de spiritualiteit van weer Coltrane en Pharoah Sanders, maar wat zij niet heeft is richting. Ayler liet zich leiden. Door hogere machten? Wie weet, maar in elk geval is zijn muziek een belevenis. Het geweld is vaak bijna niet te doorstaan. Dan trekken echter ineens de rookwolken op en doemt er ineens een moment op van onvergelijkbare schoonheid.
Marc Ribot’s Spiritual Unity is natuurlijk vernoemd naar de beroemde plaat die Ayler voor het even roemruchte ESP-label maakte. Aylers composities vormen het aanknopingspunt, maar waar het Mingus Dynasty Septet het een week eerder vooral zocht in het evenwicht tussen eigen inbreng en een vertolking die recht doet aan het originele materiaal, daar opereert Spiritual Unity - geheel in de geest van Ayler- veel vrijer.
vlnr: Henry Grimes, Marc Ribot, Chad Taylor - klik op foto
Ribot zelf kwam via de punk in contact met de free jazz en het was toetsenist Anthony Coleman die Ribot ten tijde van de opnamen van “Rootless Cosmopolitans” op de verwantschap van zijn muziek met die van Ayler wees. Heel opmerkelijk speelt in de band die Ribot heeft samengesteld ook bassist Henry Grimes, een van de free jazz mannen van het eerste uur en iemand die intensief met Ayler heeft samengespeeld. Na jaren van afwezigheid stond hij redelijk recent met David Murray en Hamid Drake of Sunny Murray ineens weer op de (Nederlandse) podia, waar hij als een verloren zoon werd binnengehaald.
Dat enthousiasme is begrijpelijk want Grimes is een zeer kleurrijke verschijning die tegenwoordig geen stap meer zet zonder zijn altijd nadrukkelijk aanwezige vrouw. Hij is bovendien een essentiële figuur binnen de free jazz scene geweest. Behalve met Ayler speelde hij bijvoorbeeld met Cecil Taylor en Archie Shepp. Daarna heeft hij echter jarenlang niet gespeeld. Er werd zelfs aangenomen dat hij was overleden. Tot hij door een bewonderaar werd herkend. Grimes bleek niet eens meer een bas te bezitten. Pas toen hij er een van William Parker kreeg, is hij weer begonnen te spelen.
Grimes’ manier van spelen is altijd erg impulsief geweest, maar hij heeft tegenwoordig een nogal gruizig geluid. Zijn spel dreigt daardoor erg onduidelijk te worden, iets wat door het vlekkeloze drummen van de fantastische Chad Taylor wordt benadrukt. Het gebrek aan helderheid speelde de hele groep nogal eens parten, want bijvoorbeeld ook de ensembles tussen trompettist Roy Campbell en Ribot zelf kwamen zeker niet perfect uit de verf. Gezien het grote aantal bezoekers dat het voortijdig voor gezien hield (“dat klonk nergens naar”, riep iemand toen hij de zaal verliet) was het concert blijkbaar in zijn geheel teleurstellend.
Naar mijn smaak gebeurde er echter toch genoeg opzienbarends om het optreden ondanks de mindere momenten de moeite waard te maken. Zo gauw Henry Grimes bijvoorbeeld zijn strijkstok pakt en op zijn wat lompe manier boventonen speelt, hangt er onmiddellijk een zinderende spanning in de lucht. Ook in het spel van Campbell en Ribot is de extase van de echt geslaagde vondst steeds heel dichtbij. Net als bij Ayler leek de muziek soms iedere richting verloren te hebben en dan ineens gebeurde er toch weer iets waardoor je op het puntje van je stoel ging zitten. Heel vaak was Chad Taylor daar de aanstichter van. Hij bezit de zeldzame gave om zelfs als er op moordend tempo gemusiceerd wordt, heel ruimtelijk te blijven klinken. Daardoor en dankzij zijn uitstekende gevoel voor klankkleur en sfeer, wist hij de eenheid in de groep te bewaren. Taylor bracht lijn in het verkennend improviseren dat de kern van dit soort muziek vormt. Bij dat rücksichtslos exploreren hoort de durf om te mogen mislukken en dat bewonderenswaardige gebrek aan faalangst zorgt voor pieken en dalen in de muziek. Het maakt haar ongemeen enerverend.
© Jazzenzo 2010