Hans Mantel, de mijnheer pastoor van de jazz COLUMN Mantel kreeg van een deel van jazzminnend Nederland al snel de status van kenner. Zoals het hier altijd gaat, wordt een kenner dan automatisch een autoriteit. Hans Mantel weet wel wat van jazz. Als het tenminste (Afro)-Amerikaanse is. Van een brede kijk geeft hij geen blijk. Het zijn vooral de Amerikaanse jazzmusici die goed in de Mantel-kast liggen. Daar vertelt hij met graagte over, hij draait hun muziek en voegt er te pas, maar helaas te vaak te onpas aan toe dat hij met die en die heeft gespeeld. Wat maakt het een jazzliefhebber nu uit, dat de presentator van het programma waar hij naar luistert of kijkt, ook met Roy Hargrove heeft gespeeld? Als het ook nog gebeurt op het zalvende en betweterige toontje van Hans Mantel, de mijnheer pastoor van de jazz, krijg je al snel de aandrang lekker je eigen plaatjes te gaan draaien. -
door: Rinus van der Heijden
Ooit waren er jazzkenners, die ons via de radio verwenden met hun kennis en altijd verrassende muziekkeuze. Maar helaas, Michiel de Ruyter is overleden en Aad Bos al wat jaren gepensioneerd. Nu doen we het met Hans Mantel.
Dat een presentator ook buiten zijn werk wel eens wauwelt, blijkt uit Mantels uitspraken in een interview van zo’n jaar geleden. Daarin spreekt hij zich uit over de Nederlandse avantgarde – dat begrip was toen al lang ter ziele – uit de jaren zeventig. Hij beweert glashard dat die avantgardisten amper konden spelen. Leo Cuypers’ ‘Zeeland Suite’ – een mijlpaal in de Nederlandse geïmproviseerde muziek – noemt Hans Mantel ‘onzin’. Het kan nog sterker: de muziek van die ‘vrije jongens’ heeft niets opgeleverd. Gôh, zo’n Pierre Courbois toch en Jasper van ’t Hof, Ab Baars en Guus Janssen, Paul van Kemenade en Niko Langenhuijsen, Maarten Altena en Theo Loevendie. Om over vroege avonturiers als Misha Mengelberg en Han Bennink maar te zwijgen. Prutsers? Onbenullen? Ze vormen nog altijd de kern van de moderne-jazzmusici in dit land. Maar niet volgens mijnheer pastoor.
Een relatief jonge, aan de weg timmerende groep als Tetzepi, krijgt van Hans Mantel ook nog even de mantel uitgeveegd. Hij omschrijft de muziek van deze mooie en integere – wel van het Amerikaanse repertoire afwijkende – bigband als ‘van een vlakke, concertante vervelendheid, met gecomponeerde dwarse klankjes, die Debussy al eerder had bedacht’. Dat laatste knalt er wel in, zeg. De geschiedenis van muziek is door alle eeuwen heen een hinkstapsprong van componist naar componist. Als Mantel bovendien Theo Loevendie had gekend, had hij uit diens mond kunnen optekenen ‘dat er na de jaren dertig van de vorige eeuw niets nieuws meer is gebeurd in muziek’.
Dan is er nog de wijze waarop Hans Mantel jazz benadert. Als een academicus, dat maakt het allemaal nóg autoritairder én elitairder. Als je jazz, die meest vrije vorm van muziek, niet musicologisch kunt – of wilt – onderbouwen, dan heb je er in zijn optiek geen verstand van. Bazel je maar wat, zogezegd. Maar is nu juist jazz niet de muziekvorm zonder grenzen, waarbij je op je eigen gevoel moet leren vertrouwen? Gevoel is emotie, meer heb je bij het beluisteren van jazz niet nodig. Laat je verstand er liever buiten. Gebruik het hoogstens om allerlei conventies uit je bovenkamer te verwijderen. Als daar vrijheid heerst, dan sta je die ook aan anderen toe. Om over bepaalde zaken anders te denken of te voelen bijvoorbeeld. Zonder door mijnheer pastoor op de nek te worden gezeten.
Gelukkig hebben we Vera Vingerhoeds nog.
© Jazzenzo 2010