Artikel geprint vanaf Jazzenzo.nl

Vrije improvisatie al eeuwen oud

COLUMN
door: Rinus van der Heijden

Wat een mooi woord is dat eigenlijk: instant composing. Het dook voor het eerst op in 1967, toen pianist Misha Mengelberg en slagwerker Han Bennink hun Instant Composers Pool introduceerden en daarmee vrije improvisatie in Nederland een ander gezicht gaven.

Het is een vernuftige definitie, instant composing. Volgens de bedenkers componeer je op het moment dat je een noot tot klinken brengt. Dus zonder vastlegging op papier. Dat betekent tevens, dat niets van tevoren is afgesproken – hooguit duur van het concert, wie en wanneer gaat soleren, hoe lang die soli duren. Geen afspraken echter over vorm en inhoud van de muziek. Uit het niets componeer je voor die ene tel in de oneindigheid. Compositietechniek rechtstreeks ontstaan uit het brein van de uitvoerder, zonder enige tussenweg.

De Instant Composers Pool heeft deze vorm van improvisatie tot hoge kunst verheven. Zonder remmingen blijkt, dat je beslist nieuwe wegen kunt bewandelen. Of beter: kon. Want het begrip instant composing is inmiddels veertig jaar oud en in die tijdspanne is gebleken, dat vernieuwing in muziek op een doodlopende weg is uitgedraaid. Dat is niet erg en daar gaat het hier ook niet om. Het begrip instant composing is immers tijdloos.

Want ook al bestond toen de definitie nog niet, componist Johann Sebastian Bach (1685-1750) ging driehonderd jaar geleden al als een vrije vogel te werk. Immers, zijn ongelooflijk oeuvre is op dezelfde manier tot stand gekomen als dat van Mengelberg-Bennink c.s. en de vele anderen na hen. Met één verschil: Bach zette zich achter het clavecimbel, sloeg een noot aan en bekeek dan of die noot een plaats kon krijgen in zijn muzieknotatie. Ook die ene noot was improvisatie, ontsproten aan de componeerkunst van die ene mens. Mengelberg en Bennink bedienden zich eveneens van een of meerdere noten, alleen lieten zij het daarbij. Die ene noot duurde zolang hij klonk, dan werd hij deel van de eeuwigheid. Bach daarentegen noteerde die noot en alle andere die hij daarna verzon, vormden bijvoorbeeld zijn ‘Toccata en Fuga’. En dat werk is na drie eeuwen nog even springlevend als op het moment dat het werd verzonnen.

Nou is ‘Toccata en Fuga’ een creatie waarin harmonie een voorname plaats inneemt. Bach’s zes ‘Cellosuites’ is een heel ander verhaal. Je hoort een bijna tweeëneenhalf uur durende cellosolo, die volstrekt geïmproviseerd lijkt. Lijkt, want ook hier is elke noot aan het bladpapier toevertrouwd. Wereldberoemde uitvoerders van deze ‘Cellosuites’ als bijvoorbeeld  Pieter Wispelwey vechten zich telkens weer halfdood om de suites tot een goed einde te brengen. Waarom? Omdat hun grilligheid en onvoorspelbaarheid ontsproten zijn aan Bach’s onuitputtelijk improvisatie-arsenaal.

Is daarom de vraag gerechtvaardigd, dat vrije improvisatie niet het exclusieve terrein is van jazzmuziek? Aan Bach kunnen we het niet meer vragen, aan de lezers van deze column wel.


© Jazzenzo 2010