Artikel geprint vanaf Jazzenzo.nl

Eva is dood

COLUMN
door: Rinus van der Heijden

Het zal zo’n zeventien, achttien jaar geleden zijn dat mijn (pleeg)dochter Eva en ik voor m’n platenkast stonden. Wat ik haar zou kunnen laten horen “van niet al te moeilijke jazz”, vroeg het kind. Ik trok The Modern Jazz Quartet tevoorschijn en draaide ‘Echoes’. Nadien de op New Orleansjazz gebaseerde ‘Flowers For Albert’ van David Murray. Prachtig vond ze het. “Het lijkt wel klassieke muziek”, concludeerde ze. Een rake typering. Ze wist immers waar ze het over had. Want binnen haar opleiding voor klassieke danseres had de aankomende puber al in ruime mate kennis genomen van bijvoorbeeld Tsjaikovski’s ‘Zwanenmeer’, Adams’ ‘Giselle’, Delibes’ ‘Coppelia’ en natuurlijk Chopins piano-etudes en nocturnes.

Nu is Eva dood. Dertig jaar is geen leeftijd om te sterven. Vinden wij. Zij niet. Haar besluit is even onbarmhartig als wat het leven haar bood. Voor hen die achterblijven is de cocon van treurnis nauw, hij sluit het dagelijkse leven buiten. Schreeuwt om troost. Om muziek. Om jazz. Niet om het Modern Jazz Quartet of David Murray. Die zouden valse noten toevoegen aan onpeilbare emoties. Gelukkig dient muziek ook in tijden van diepe rouw zichzelf aan.
Onontkoombaar dringt zich meteen na Eva’s dood ‘The Chill Of Death’ op van Charles Mingus. Een treurzang als een vuistslag in je gezicht. Veroorzaakt door de nasale, huiveringwekkende stem van Mingus, die de tekst zelf declameert.

The chill of death
As she clatched my hand
I knew she was comin’
So I stood like a man
She drew closer
Close enough to me to look into her face
And than I began to wonder
Hadn’t I seen her some other place?

Of het helpt? Weet ‘t niet. Evenmin bij ‘Esoteric’ van Phillip Wilson met zijn prachtige Lester Bowie-odes. Of ‘Live from Tokyo, Nagasaki and Kobuchizawa’ van Mal Waldron en Jeanne Lee, ademsmorende piano- en vocale jazz. Of het kreunende ‘Long Gone Blues’ van Billie Holiday. Of de in smachtende klezmer gedompelde jazz op ‘Tuskegee Experiments’ van Don Byron. Of bij de beginregels van Van Morrisons ‘Ballerina’:

Spread your wings
Come on, fly a while

Hulp of vlucht? De muziek geeft vooralsnog geen antwoord. Gaat haar eigen weg en spreekt liever haar eigen taal.

Het tijdstip van afscheid nemen nadert. Is onvermijdelijk. Hoe gaat dat bij een geliefde? Het antwoord weet ik uit ondervinding. Alleen weet ik niet hoe dat gaat bij je dochter. Louis Armstrong dringt zich op. Zijn trompet sleurt me de slepende blues in die St. James Infirmary’ heet. Afstandelijk, cynisch en diepontroerend tegelijk. Zal ik het zo beleven?

I went down to St. James Infirmary
Saw my baby there
She was stretched down on a long white table
So cold, so sweet, so fat
Let her go, let her go,
God bless her
Where ever she may be
She can’t look this wide world over
- de laatste regel: But she’ll never find a sweet man like me probeer ik te verdringen.

Nee, in het mortuarium blijft Armstrong op de achtergrond. Er komt een andere confrontatie van muziek en ziel tijdens het afscheid van Eva. Zoals ze daar ligt. Dat lichaam, het gereedschap voor danseressen, zo geknakt. Als een storm steekt Dietrich Buxtehude’s ‘Membra Jesu Nostri’ op in mijn hoofd. Ontdaan van zijn religieuze betekenis, bezingt deze parel uit de barokmuziek niet de zeven lichaamsdelen van de aan het kruis gestorven Jezus Christus, maar - in mijn wezen - die van het universele, lijdende menselijke lichaam: de voeten, knieën, handen, lende, borst, hart en gezicht. Ik kijk naar Eva’s dode lijf en voel voor het eerst iets van troost. Troost die een gezicht krijgt als ik ’s avonds de Harmonia Mundi-dvd bekijk van ‘Membra Jesu Nostri’, die die dag op de deurmat is gevallen. Ultieme schoonheid, die gedeeld had moeten worden. Met Eva.

Schoonheid en troost. Ze lijken in elkaars verlengde te liggen. Maar niet altijd. Mooie muziek is míjn domein. Afgebakend door mijn persoonlijke voorkeuren. Gevangen in jazz en klassiek, maar verder fladderend over de hele wereld. Ze verschaft vreugde en kracht. Hier echter, in deze dagen van nauwelijks te torsen verdriet, heerst de dood. Daar is hij de meester die niet toelaat dat muziek de troost verschaft die de lijdende mens van haar verwacht. Daar kunnen Coltrane, Bach, Dolphy, Vloeimans,  Händel, Tristano, Chambers, Hawkins, Haden, Vivaldi, Van Kemenade, Schütz, Sclavis, Parker, Ayler, Charpentier, Braam, Ellington, Pärt  en die vele, vele anderen wier muziek in een eindeloze stroom dag en nacht uit mijn geluidsboxen vloeit, niets aan veranderen. Nog niet.


© Jazzenzo 2010