05 Mrt '10 -Kenton en Konitz: ongemakkelijke relatie met verrassende resultaten
ELPEE ELDORADO
door: Peter Smids
Lee Konitz heeft wijze lessen geleerd in de hardhandige leerschool van Stan Kenton, en geniet met volle teugen van zijn vrijheid.
Stan Kenton heeft in de jazzwereld een bijzondere positie: de meeste jazzliefhebbers beschouwen zijn muziek als hol gedaver, dat je maar beter aan je voorbij kunt laten gaan. Daarnaast is er een groep gelovigen voor wie Kenton nog altijd als een onaantastbaar opperwezen fungeert. En voor wie er buiten Kenton niets van waarde bestaat.
Natuurlijk heeft Kenton veel logge bombast geproduceerd, maar er zijn ook altijd momenten of zelfs hele periodes in het oeuvre van Kenton, die verrassende stukken hebben opgeleverd. Met name de periode 1950-1954 is erg interessant: in 1950 en 1951 is eerst het Innovations in Modern Music-Orkest (met arrangeurs als Pete Rugolo, Shorty Rogers, Franklyn Marks en Bob Graettinger) actief, en vervolgens het New Concepts of Artistry in Rhythm-Orkest (met Bill Russo en Bill Holman als dominante arrangeurs).
Veel jazzliefhebbers kunnen zich niets voorstellen bij de combinatie Stan Kenton/Lee Konitz. Kenton, de aimabele reus met de hoogdravende in graniet gehouwen volzinnen en Konitz, de bebrilde intellectueel met de flitsende invallen en de kortademige toon vertegenwoordigen inderdaad twee stijlen die haaks op elkaar staan. Maar deze ietwat ongemakkelijke relatie, die heeft geduurd van augustus ’52 tot december ‘53, heeft toch een aantal wonderschone producten voortgebracht, met Konitz als solist binnen het Kentonbolwerk, maar ook met een gelouterde, met volle teugen van zijn vrijheid genietende Konitz op avontuur buiten de beschermende (en beperkende) omheining van de Kentonbigband.
Drie lp's van Stan Kenton: Showcase, Portaits on standards en New Concepts
Enthousiast
Mede op aandringen van zijn jeugdvriend Bill Russo, die al een jaar meedraait in de trombonesectie van Stan Kenton, treedt Lee Konitz in de laatste week van augustus ’52 toe tot het orkest van Stan Kenton. Kenton is wild enthousiast over zijn aanwinst: “Vanavond geeft er een musicus acte de présence die ik al een paar jaar op alle mogelijke manieren bij de band heb proberen te krijgen. Dames en heren: de kunstenaar Lee Konitz.”
Konitz maakt slechts een relatief korte periode deel uit van de band van Stan Kenton: na minder dan anderhalf jaar houdt hij het in december ’53 voor gezien. Toch kan hij zich niet beklagen over een gebrek aan solobeurten. Tijdens zijn dienstverband bij de Kentonband heeft Konitz in elke sectie geduchte concurrenten: in de trompetsectie Conte Candoli, Maynard Ferguson en Buddy Childers, bij de trombonisten is Frank Rosolino de stersolist en de collega’s in de saxofoonsectie, met name Richie Kamuca en Zoot Sims, moeten af en toe natuurlijk ook een solokluifje krijgen.
Vervolgens werkt Kenton ook nog steeds met een bandzangeres (in feite een door Kenton intact gehouden verschijnsel uit het Swingtijdperk), in dit geval Chris Connor, een zangeres die vrijwel gelijkwaardig is aan haar twee grote voorgangers Anita O’Day en June Christy. En ook de leden van de ritmesectie hebben recht op een incidentele solo: in de eerste plaats Stan Kenton zelf (maar bescheiden als hij is maakt hij geen misbruik van zijn machtspositie), gitarist Sal Salvador en bassist Don Bagley (solerende bassisten beginnen net in de mode te raken). Ook drummer Stan Levey krijgt wel eens een solo (in ‘Taboo’, een arrangement van Johnny Richards) maar ik heb niet het idee dat Stan Levey daarover zwaar de pest heeft in gehad. Hij is immers altijd wars geweest van exhibitionistische trekjes en houdt er meer van om een band al stuwend en swingend op koers te houden.
Konitz heeft vijf maanden meegedraaid in de Kentonband als Gerry Mulligan hem (in januari ’53) uitnodigt voor een paar gastoptredens in Los Angeles met zijn kwartet; het kwartet met Chet Baker en de beste ritmetandem uit zijn bestaan: bassist Carson Smith en drummer Larry Bunker. Op ‘Konitz Meets Mulligan’ (Pacific Jazz CD) staan twaalf stukken en het is opvallend dat de zes stukken die live in The Haig (de toenmalige residentie van het Mulligankwartet) zijn opgenomen heel anders van karakter zijn dan de zes studio-opnames. In de live-opnames is Konitz de enige solist en zorgen de bariton en de trompet voor riffjes en fugatische motieven op de achtergrond.
Twee zeldzame 25 centimeter Pacific Jazz-elpees brengen samen een nieuwe 30 centimeter elpee voort. De twee oorspronkelijke elpees kosten elk circa 250 euro. Als cd verkrijgbaar voor 10 Euro.
Schril
Konitz brengt een strakke, soms zelfs schrille toon voort en neemt vreselijk veel risico’s, maar hij blijft op een indrukwekkende manier heer en meester van de situatie. In de resterende stukken (die gemiddeld ook nog een minuut korter zijn dan de live-stukken) gaan Baker en Mulligan zich ook solistisch weren. Daardoor is er voor Konitz geen ruimte meer voor die lange vermetele rushes.
Natuurlijk was een big band niet de ideale biotoop voor Konitz: hij vond dat er te weinig een beroep op zijn solistische capaciteiten werd gedaan en ook de filosofie en het repertoire van de New Conceptsbigband (de minst pompeuze en hardst swingende editie van de Kentonorkesten) strookten niet met zijn idee van een hippe band en bovendien hield hij niet van klaverjassen, gokken, doorzakken en soortgelijke hobby’s van de gemiddelde big-bandmuzikant.
Maar ondanks al zijn frustraties heeft hij in die eerste vijf maanden bij Kenton heel veel opgestoken: de kunst van het verhaaltjes vertellen (dankzij de solofeatures die hij bij Kenton wel degelijk kreeg toebedeeld) en het belang van een ver dragende toon.
Het orkest van Stan Kenton was in die tijd onvoorstelbaar populair: elke dag werk en regelmatig ook nog twee concerten op een dag, vaak optredens in zalen met een capaciteit van vijf à achtduizend bezoekers. Daar tussendoor tv-optredens, repetities om nieuw repertoire in te studeren en plaatopnames. Zo krijg je als lid van de saxofoonsectie het belang van een homogeen, gepolijst geluid vrijwel dagelijks aangescherpt. En die ervaring gaat onvermijdelijk doorklinken in iemands stijl.
Natuurlijk had Konitz aan het begin van zijn carrière ook al de nodige sectie-ervaring opgedaan bij de big band van Claude Thornhill, maar in dat curieuze orkest waar vooral de kunst van de minimale voortgang werd beoefend, hoefde je niet zo op het scherpst van de snede te spelen als bij Kenton.
Slopend
Het seizoen 53/’54 moet werkelijk slopend zijn geweest: allereerst is er de eerste Europese tournee van de Kentonband, gevolgd door een slopende herfsttournee door de V.S.(Festival of Modern American Jazz, aflevering 1) en in januari/februari ’54 aflevering twee van dit festival.
In de nogal dweepzieke Kenton-literatuur kom je nog steeds het volgende zinnetje tegen: “For the first time since the ‘30’s, an American jazz orchestra would tour Europe.” Dit misverstand is vermoedelijk in het leven geroepen door de ronkende persbulletins van de Harold Davidson Agency, die de organisatie van de tournee in handen had.
In elk geval waren twee beroemde collega’s Kenton voorgegaan: de big band van Dizzy Gillespie heeft in februari ’48 een bezoek aan Europa gebracht (onder meer Stockholm en Parijs) en in het voorjaar van ’50 reisde Duke Ellington door Europa (voor onder meer drie concerten in Nederland).
Het eerste bezoek van Stan Kenton aan Europa is een onbeschrijflijk succes: tussen 22 augustus en 21 september een totaal van drie dozijn stijf uitverkochte concerten (op 30 augustus twee concerten op een avond in het Concertgebouw). In een verslag in Time Magazine kon je lezen dat de Amsterdamse fans de concerten mieters (met als uitleg: “current Dutch slang for terrific”) hadden gevonden.
Hoe vermoeid de musici ook waren (van de optredens, het reizen en de uitzinnige, opdringerige fans), toch vonden sommigen nog een gaatje in hun agenda om een bezoek aan een studio te brengen: Zoot Sims en Frank Rosolino waren ieder afzonderlijk actief in Stockholm (met telkens dezelfde pianist: Rob Pronk). En ook de Zweedse baritonvedette Lars Gullin ziet kans om met zes leden van de Kenton band (onder wie Lee Konitz) nog snel even de studio in te duiken.
Lee Konitz & Bob Brookmeyer in Paris is een heruitgave van Lee Konitz Plays.
In Parijs is Vogue er als de kippen bij om zowel zaken te doen met Zoot Sims als met Lee Konitz. Een gaaf exemplaar van ‘Lee Konitz Plays’ (Vogue LD 169) kost tegenwoordig tussen de 250 en 350 euro en voor een onberispelijke ‘Zoot Sims Plays’ (Vogue LD 170) moet je ongeveer duizend uuro neertellen.
Geen straf
Gewone stervelingen moeten zich behelpen met een ‘Lee Konitz Plays’ in cd-vorm, en met vier extra vertolkingen is dat geen straf. In het vertrouwde gezelschap van de ritmetandem uit de Kentonband, de bassist Don Bagley en de uitsluitend brushes beroerende Stan Levey, speelt Konitz zelfverzekerd en buitengewoon expressief. Ook de lenige en bescheiden gitarist Jimmy Gourley levert enkele interessante solo’s. Gourley en Konitz zijn samen in Chicago opgegroeid en Gourley is in die periode woonachtig in Parijs.
Als Konitz in december ’53 opstapt bij Kenton kan hij bogen op een redelijke oogst aan solistische momenten: natuurlijk heeft hij de solistenmicrofoon regelmatig moeten delen met voornamelijk Conte Candoli en Frank Rosolino. Maar er staan ook drie solofeatures op zijn naam die na meer dan vijfenvijftig jaar nog altijd intrigeren. De componist en arrangeur Bill Russo, een jeugdvriend uit Chicago, laat in zijn arrangementen de kwaliteiten van Konitz op een subtiele manier tot hun recht komen.
‘Improvisation’ is een enigszins hybride constructie waarin de traditionele Kentoniaanse bombast van de drie blazerssecties enerzijds wordt afgewisseld met momenten van individueel meesterschap van de trombonist Bobby Burgess. En anderzijds momenten van een subtiele Tristano-achtige schoonheid van Lee Konitz, die op een gegeven moment in een dialoog is verwikkeld met gitarist Sal Salvador. De beide andere Bill Russo-arrangementen, ‘My Lady’ en ‘Lover Man’, zijn veel minder uitgesproken en bakenen heel dienstbaar het terrein af waar Konitz zijn onvoorspelbare vleermuisachtige fladdervluchten vol overtuiging kan uitvoeren.
De band van Kenton hanteert meestal een robuuste aanpak en daardoor moet de beschouwelijk aangelegde Lee Konitz zich in dit gezelschap krachtpatsers behoorlijk schrap zetten om zijn partijtje mee te kunnen blazen. Daaraan hebben we ongetwijfeld de nogal vlezige toon te danken die Konitz produceert in zijn solowerk bij Kenton. Als hij weg is bij Kenton gaat zijn toon weer schraler klinken en gaat hij in zijn betoogtrant weer meer op een verstrooide professor lijken.
Klein wonder
Achteraf gezien is het een klein wonder dat Konitz het bijna anderhalf jaar in de Kentonband heeft uitgehouden, want Konitz wil als improvisator altijd en overal het maximale uit een compositie halen. En dat is in zo’n omvangrijke en strakke organisatie als een big band niet goed mogelijk. Voor langdurige, intellectualistische schaakspelletjes vol met geniale momenten, toevalstreffers en doodlopende steegjes moet je vertoeven in een klein gezelschap met gelijkgestemde zielen die over voldoende tijd beschikken.
Met uitzondering van de drie hierboven genoemde grote single solo features (‘Improvisation’, ‘My Lady’ en ‘Lover Man’) had hij bij Kenton vaak niet meer dan zestien maten tot zijn beschikking en daarin kon hij zich geen introverte weifelmoedigheid veroorloven. Met zo weinig speelruimte moet je doelbewust en zelfverzekerd overkomen, desnoods met gebruikmaking van wat ingeslepen frases (licks).
Ook het meedraaien in de saxofoonsectie (met vaak veeleisende partijen) moet van invloed zijn geweest op zijn toonvorming en zijn manier van fraseren. Konitz: “I finally left when it just wasn’t that rewarding anymore, I wanted to be back in a small band.” De plaats van Konitz wordt ingenomen door Lennie Niehaus, die na de vervulling van zijn militaire dienst weer herintreedt in de Kenton-organisatie. Om daar niet alleen als altsaxofonist maar in toenemende mate ook als componist/arrangeur een belangrijke rol te gaan spelen.
Maar Konitz en Kenton zijn nog niet van elkaar af. Stan Kenton heeft een tweede editie op poten gezet van het door hem bedachte tourneecircus Festival of Modern American Jazz, dat tussen 28 januari en 1 maart 1954 22 optredens zal geven in een reeks steden aan de oostkant van Amerika en aan de westkust. De eerste aflevering van dit festival, in de herfst van 1953, was zo succesvol dat de onvermoeibare Kenton in hoog tempo een vervolg in elkaar heeft geflanst.
Attracties
Op de affiches staan de volgende attracties: Stan Kenton and his Orchestra, Candido, Charlie Parker (die de plaats had ingenomen van - toppunt van ironie - Stan Getz, die op dat moment wegens een drugszaak in voorlopige hechtenis zat), The Erroll Garner Trio, Dizzy Gillespie, June Christy en… Lee Konitz. Konitz is op dat moment natuurlijk nog geen superster, maar de altijd loyale en coöperatieve Kenton helpt graag een handje bij het op de rails zetten van zijn carriere.
Charlie Parker, Dizzy Gillespie en Lee Konitz krijgen ieder tien (!) minuten de tijd om via drie solofeatures hun kunsten te vertonen. De drie stukken waarin Parker mag gloriëren zijn ‘Night and Day’, ‘My Funny Valentine’ en ‘Cherokee’.
Kenton heeft met de Capitolbazen afgesproken dat hij aan het eind van de tournee met Charlie Parker en Lee Konitz naar de studio zal komen om hun solofeatures van het festivalprogramma vast te leggen. Charlie Parker krijgt echter geen toestemming van de neringzieke Norman Granz (de grote man van het Vervelabel) en daarom verschijnt Konitz op 1 maart ’54 als enige solist in de Melrose Studios in Hollywood.
Bill Holman heeft drie arrangementen speciaal voor Konitz geschreven: ‘Of All Things’, ‘Lover Man’ (conventioneler van opzet dan het arrangement van Bill Russo, dat Konitz al in een eerder stadium heeft opgenomen) en ‘In Lighter Vein’. Op de koop toe neemt hij ook nog een solofeature van de grote afwezige, Charlie Parker, voor zijn rekening: ‘My Funny Valentine’, eveneens gearrangeerd door Bill Holman.
‘In Lighter Vein’ is een lawaaierig stuk dat in een moordend tempo wordt gespeeld, maar ondanks een roekeloze, bezeten solo gaat Konitz niet onderuit. In de drie andere stukken gaat het wat vreedzamer toe: het is pikant dat Bill Holman de stukken telkens laat beginnen met alleen Konitz, begeleid door gitaar/bas/drums. Vooral dankzij de ingetogen, fijnzinnige akkoorden van gitarist Bob Lesher doen die introducties heel sterk denken aan de kleine bezettingen waarin Konitz veel met Billy Bauer samenwerkte.
Subtiel
Op de momenten dat de blazers zich met de gang van zaken gaan bemoeien blijft de gitarist doorgaan met zijn subtiele akkoordeninterventies, waardoor de ritmesectie (zonder piano) ervoor verantwoordelijk is dat er permanent een ijle kamermuzieksfeer door het arrangement blijft heen schemeren. Ook in deze drie stukken is het Konitz all the way en hij doet dat buitengewoon zelfverzekerd en doelbewust.
Graag laten we Bill Holman even aan het woord: “Zijn spel bij de Kentonband behoort tot het beste dat Lee Konitz ooit heeft vertoond. Daar zijn heel veel mensen het over eens. Het was lastig spelen bij die band, vanwege de enorme bezetting was het ritmisch niet altijd super en de band klonk vaak erg hard. Daarom geloof ik dat Lee zich door de band nogal op stang liet jagen en die boosheid kwam duidelijk naar buiten: zijn spel werd er agressiever door. Hij was gewend aan kleine groepen en opeens moest hij de concurrentie aan met zo’n groot massief geluid, daardoor werd hij gestimuleerd tot een andere aanpak.”
In het voorjaar van 1954 stuurt Kenton de musici van zijn New Concepts of Artistry in Rhythmorkest naar huis en gaat hij zich onder meer bezig houden met het uitbrengen van een serie ‘Kenton Presents Jazz’-lp’s op zijn vertrouwde Capitollabel. Stan Kenton is altijd heel erg betrokken geweest bij de carriere van ‘zijn’ jongens en hij wil ze graag met een overtuigend visitekaartje de wijde wereld insturen.
In het seizoen ‘54/’55 speelt hij een rol bij de productie van een dozijn titels, waarvan ‘Boston Blow-Up’ door Serge Chaloff de vermaardste is, maar ‘Salute to Bud’ en ‘Keys West’ van pianist Claude Williamson klinken ook nog altijd fris en vitaal. Ze zijn helaas nog niet op cd uitgekomen; dat is wel gebeurd met de vijf titels die in de ‘Kenton Presents Jazz’-serie van Bill Holman, Bob Cooper en Frank Rosolino zijn uitgekomen (Mosaic).
George Wein
Kenton wilde ook dolgraag een plaat maken met zijn voormalige stersolist Lee Konitz, maar George Wein (op dat moment de manager van Konitz) stak daar een stokje voor, omdat hijzelf net met een eigen label van start was gegaan: Storyville. Konitz jaren later: “Stan was diep gekwetst en ik voelde mij erg ongemakkelijk, omdat ik eigenlijk wel aan zijn project mee had willen doen. Daarom heb ik hem jaren later nog eens opgezocht in een of ander hotel in New York waar hij toen optrad. Ik liep de kamer binnen en hij bleek bijna even lang te zijn als ikzelf. Hij liep voorovergebogen (als gevolg van een ongeval) en ik schrok me dood toen ik hem zo zag. Ik heb geprobeerd om mijn liefde voor hem tot uiting te brengen, en de enorme waardering voor alles wat hij voor mij had gedaan en ik hoop dat hij het begrepen heeft.”
Dankzij George Wein nam Lee Konitz drie kwartet-lp’s op voor het
Storyvillelabel
Aan zijn contacten met George Wein heeft Konitz drie kwartet-lp’s op het Storyvillelabel te danken: ‘Jazz at Storyville’ , ‘Konitz‘ en ‘Lee Konitz in Harvard Square’. ‘Jazz at Storyville’ is een radio-opname vanuit de jazzclub die George Wein een tijd lang bestierde in het chique Copley Square Hotel in Boston. De uitzending heeft plaats in januari ’54, toen Lee Konitz kort tevoren Boston had aangedaan als een van de attracties op de affiche van het rondtrekkende Kenton-circus ‘First Festival of Modern American Jazz’. Radiopresentator John McLelland verwijst daarnaar: “Many of you, I know, enjoyed Lee as one of the featured soloists with the Stan Kenton Orchestra during the recent Festival of American Jazz at Symphony Hall.”
Maar Konitz maakt inmiddels geen deel meer uit van de saxofoonsectie van de Kentonbigband en heeft een kwartet geformeerd met pianist Ronnie Ball. Ball is afkomstig uit Birmingham, heeft lessen gevolgd bij Lennie Tristano en woont sinds 1952 in New York, waar hij in oktober ’84 (56 jaar oud) zal overlijden . Met zijn gedreven, door Lennie Tristano geïnspireerde lineaire spel is hij de ideale partner voor Lee Konitz. In zijn lange elastische solo in ‘If I had you’ laat Ball horen dat je als Tristanodiscipel ook heel funky uit de hoek kunt komen.
Bassist Percy Heath staat op het punt om lucratieve roem te gaan vergaren als lid van het Modern Jazz Quartet, met platen als ‘Django’, ‘Concorde’ en ‘Fontessa’, maar in dit gezelschap van Tristanogetrouwen voelt hij zich ook prima op zijn plaats: zijn gevatte notenkeus en zijn perfect gedoseerde stuwkracht maken van hem een stimulerende begeleider. Maar ook zijn solo’s komen nog altijd springlevend over.
Tristano
Ook de in 1932 in New York geboren drummer Al Levitt heeft bij Tristano gestudeerd en zal vooral naam maken als brushesspecialist. Maar hij kan ook soepel overweg met de stokken, zoals hij in ‘Sound Lee’ (een stuk dat Konitz heeft gebaseerd op ‘Too marvelous for words’) en ‘Ablution’ (ontleend aan ‘All the things you are’) laat horen. Een groot deel van zijn loopbaan zal zich in Europa afspelen (zo heeft hij bijvoorbeeld een tijdje bij Pia Beck gespeeld). Reeds op 62-jarige leeftijd zal hij eind ’94 in Parijs overlijden.
Lee Konitz in Harvard Square
De beide andere Storyville-platen, ‘Lee Konitz in Harvard Square’ en ‘Konitz’ stammen ook uit 1954 en hebben allebei dezelfde bezetting: uiteraard Lee Konitz, wederom Ronnie Ball, bassist Peter Ind (net als Ronnie Ball uit Engeland afkomstig en eveneens een trouwe Tristanovolgeling) en drummer Jeff Morton (geboren in Brooklyn, in 1929).
Konitz blaakt van het zelfvertrouwen: hij grossiert in elastische, beweeglijke volzinnen en in ‘Easy Living’ en ‘Skylark’ heeft hij de pianist het zwijgen opgelegd en doet hij er zonder harmonisch ruggesteuntje en zonder akkoordenvangnet nog een waaghalzerig schepje bovenop. Overigens voelt Ball precies aan waar Konitz naar toe wil en slaat hij met zijn commentaar en respons telkens de spijker op de kop; in zijn solo’s beweegt hij zich als een blazer en levert hij in feite een pianoversie van de stijl van Konitz.
Deze drie Storyville-platen (in cd-vorm, met extra tracks, uitgebracht door Black Lion) vormen een sprankelende opmaat tot het dozijn lp’s dat Konitz tussen ’55 en ’61 voor Atlantic en Verve zal vastleggen. Daarna vindt hij onderdak bij een bonte collectie veelal obscure (Europese) labels.
|
Lee Konitz en Stan Kenton op cd |
- cd: Stan Kenton: Kenton Showcase (compilatie van twee 25 cm-lp’s, met bovendien vier extra stukken: Kenton Showcase—The Music of Bill Russo en Kenton Showcase—The Music of Bill Holman) (deze cd bevat vier Bill-Holmanarrangementen met Konitz als enige solist: ‘Of All Things’, ‘Lover Man’, ‘In Lighter Vein’ en ‘My Funny Valentine’) (Capitol Jazz-cd)
- cd: Stan Kenton: New Concepts of Artistry in Rhythm (oorspronkelijke 25 cm-lp, met als bonus vier stukken die de sessies completeren) (deze cd bevat twee Bill Russo-arrangementen met Konitz als enige solist: ‘My Lady’ en ‘Improvisation’) (Capitol Jazz-cd)
- cd: Stan Kenton: Sketches on Standards (oorspronkelijke 25 cm-lp met zes extra stukken) (deze cd bevat het Bill Russo-arrangement van ‘Lover Man’ met Konitz als enige solist) (Capitol Jazz-cd)
- cd: Stan Kenton: Portraits on Standards (oorspronkelijke 25 cm-lp met zeven extra stukken) (Capitol Jazz-cd)
- 4cd-box: De arrangementen die Bill Russo en Bill Holman in opdracht van Stan Kenton hebben geschreven zijn te beluisteren via een Mosaic cd-cassette: Stan Kenton: The Complete Capitol Recordings of the Holman and Russo Charts (Mosaic MD4—136)
Lee Konitz op eigen benen in 1953 en 1954
- cd: Lee Konitz & The Gerry Mulligan Quartet: Konitz Meets Mulligan (twaalf stukken uit januari ’53, opgenomen aan de westkust) (Pacific Jazz-cd)
- cd: Lee Konitz & Bob Brookmeyer: Quintets (elf tracks door een gelegenheidskwintet o.l.v. Lee Konitz, opgenomen in september ’53 in Parijs, tijdens de Europese tournee van Stan Kenton + vier stukken (juni ’54) door een kwintet o.l.v. Bob Brookmeyer) (Vogue-cd)
- cd: Lee Konitz at Storyville (Lee Konitz kwartet live in Boston, januari ’54) (Black Lion-cd)
- cd: Lee Konitz in Harvard Square (Lee Konitz kwartet, Boston, april ’54) (Black Lion-cd)
- cd: Lee Konitz: Konitz (Lee Konitz kwartet, 14 tracks, New York, augustus ’54) (Black Lion-cd)

In de rubriek Elpee Etalage laat Peter Smids zich inspireren door de elpees die 55 jaar geleden in de etalages van de platenzaken lagen. Verreweg het grootste deel van de toenmalige elpeeproductie is in cd-vorm verkrijgbaar.


