17 Feb '10 -Wilbert de Joode: ‘Ik vertrouw erop dat ik in de muziek mijn eigen rol hoor’
INTERVIEW
door: Jacques Los
‘Op de zolder bij mijn vriendin ontdekte ik de basgitaar. Dat was het!’
Foto © Marcel Mutsaers
Omdat zijn vader – Ton de Joode en jazzrecensent voor het Vrije Volk – het huis verliet met meeneming van de vele jazzplaten toen Wilbert amper vier jaar oud was, heeft hij de jazz niet met de paplepel in gekregen. Zijn interesse in de jazzmuziek kwam pas op veel latere leeftijd. Nu speelt hij als de beste en praat met verve over jazz.
“Op de zolder bij mijn vriendin ontdekte ik de basgitaar, een Höfner semi-akoestisch. Dat was het! Ik was rondom de twintig en zat op de pedagogische academie. Dus toen ben ik pas muziek gaan spelen. Een laatbloeier, zo gezegd. Maar goed, al vrij snel speelde ik professioneel in een nachtcluborkestje.
We speelden uiteraard populaire muziek. Ik vond daar op een gegeven moment niet veel meer aan en ben gestopt met het nachtclubwerk. Ik speelde daarna veel met conservatoriumstudenten. Ik was, hoewel autodidact, aardig goed in het funky spelen op de basgitaar. Ondertussen kreeg ik een liefde voor de staande bas. Ik heb me daarvoor ook aangemeld bij het conservatorium, maar werd niet aangenomen, omdat ik dat instrument nog niet goed genoeg beheerste.
In 1982 speelde ik voor het eerst in een jazzformatie van gitarist Erwin van Ligten. Ik heb aan hem en die periode zeer goede herinneringen. Hij is hoofdzakelijk muziekdocent geworden. Ik voelde me toen nog geen jazzmuzikant. Ik wilde wel doorgaan met de jazz- en impromuziek en heb geruime tijd deelgenomen aan de wekelijkse workshop van bassist Arnold Dooyeweerd. Dat is erg waardevol geweest. We waren met een clubje waarin onder andere Eric Boeren en Bart van der Putten zaten. We hebben toen in de Bijlmer onze eigen improvisatie-ontmoetingen georganiseerd.”
Professioneel muzikant
“In die periode werd ik door Vera Vingerhoeds gevraagd om in haar kwartet met Joost Buis en Bart van Helsdingen te spelen. We zaten in het toenmalige Podiumplan. Dat betekende dat ik volgens de Bim-norm werd uitbetaald. Dat was redelijk verdienen. Ik heb me onmiddellijk aangemeld als lid van de BIM (Beroepsvereniging van Improviserende Muzikanten). Dat zal in 1986 zijn geweest.
Eind jaren tachtig heb ik mezelf pas echt als professioneel muzikant beschouwd. Ik werkte toen met Ig Henneman en Ab Baars. In die tijd had ik pas het gevoel bassist en muzikant te zijn. Het heeft dus lang geduurd alvorens ik mezelf als professional zag.
Destijds heb ik bij Armando Cairo bewust veel jazzplaten beluisterd. Bij hem hoorde ik voor het eerst bassist Henry Grimes in een live-opname met onder andere Roswell Rudd en Steve Lacy. Dat geluid en de timing, dat was de eerste keer dat ik dacht: ‘wauw, geweldig, daar ben ik ook mee bezig.’ Het sloot erg aan bij mijn idee en gevoel over het geluid en bespelen van de bas. Zo’n bas heeft maar vier snaren, maar het is een wereld van geluid. Het is zo waanzinnig mooi!
In de jaren negentig heb ik langdurig met Vera Vingerhoeds, Ig Henneman, Michiel Braam, Ab Baars en anderen gespeeld. Ik speelde in ontzettend veel groepen. Het was een enorm breed muzikaal gebied. Wat ik bij de één oppikte en ontdekte kon ik bij de ander gebruiken en omgekeerd.
Een interessant project in die tijd was het trio van tenorsaxofonist Rinus Groeneveld met drummer Pierre van der Linden. We speelden totaal vrije muziek en hebben ook nog een plaat gemaakt in de studio van Max Bolleman. Die vrije muziek moet je spelen met mensen die van het avontuur houden, die blanco - dus zonder afspraken of gegevens – kunnen spelen. Zo sta ik ook nu nog op het podium. Pierre is een waanzinnig goede drummer, maar ook erg onzeker. Dat botste weleens. Hij had inderdaad wat moeite om zonder afspraken of wat dan ook vrije muziek te maken.”
‘Zo’n bas heeft maar vier snaren, maar het is een wereld van geluid. Het is zo waanzinnig mooi!’. Foto © Stef Mennens
Subsidie en podia
“Toentertijd was er een prima systeem voor de geïmproviseerde muziek, ook wel ‘risicovolle muziek’ genoemd. Experimentele muziek, dus verre van commercieel. De toenmalige Stichting Jazz in Nederland kreeg geld van de overheid om organisatoren c.q. jazzpodia subsidie te verstrekken bij het contracteren van jazz- en improgroepen. Uiteraard moesten podia aan bepaalde eisen voldoen. Eén daarvan was dat er ook avontuurlijk geprogrammeerd moest worden. Het resultaat was dat de muzikanten tegen de Bim-norm werden uitbetaald. In die tijd kon je dan ook op veel plaatsen, op zowel kleine als grote podia, in Nederland spelen.
Als er één muzieksoort is die zich alleen maar kan ontwikkelen door zo veel mogelijk te spelen is het wel de geïmproviseerde muziek. Muzikanten als Misha Mengelberg, Willem van Manen, Han Bennink en Willem Breuker hebben de impromuziek onder de aandacht gebracht bij de overheid en zijn de grondleggers van het gunstige subsidiesysteem.
Ingevolge politieke beslissingen zijn in de loop van de jaren negentig talrijke podia opgehouden te bestaan. De overheid scherpte de voorwaarden voor de podia aan. Een hele rits – vooral kleinere – wilden of konden daar niet aan voldoen en verdwenen dan ook stuk voor stuk van het toneel. Het is verschrikkelijk dat tientallen podia verspreid over het hele land verdwenen zijn. Het is, wat Han Bennink onlangs uitriep in het Bimhuis, dat ze met het kwartet van Tobias Delius maar vier optredens op jaarbasis hebben kunnen regelen. Het getuigt toch van een grote politieke onbenulligheid, dat de plekken waar gepassioneerde liefhebbers een enkele keer per jaar concerten organiseren, door bureaucratie en regelgeving zijn verdwenen!
Ik heb de ongelooflijke mazzel gehad dat ik me nog heb kunnen ontwikkelen in een zeer gunstig klimaat. Ik heb, denk ik, op dat soort plekken veel mensen met de impromuziek kunnen bereiken. Zo’n podium als bijvoorbeeld De oude Ulo in Leek bestaat voor de jazz niet meer. Voor een impro-concert moeten die mensen naar de Bim in Amsterdam. Nou, dat zullen ze niet gauw doen. Hoe komen ze daar in het noorden dan in aanraking met nieuwe muziek?!
Rampzalig
De situatie, nu in Nederland, is echt rampzalig. Zeker voor de progressieve muziek. Het is dus ook voor jonge muzikanten nauwelijks mogelijk om zich in de improrichting te ontwikkelen. Er wordt wel veel livemuziek gespeeld, maar dan vooral in muziekcafés en dan gaat het om de standards uit het Real Book. Conservatoriumstudenten kunnen op die manier speelervaring opdoen, maar – al zouden ze willen – aan het spelen van impromuziek komen ze niet toe. Met dat al, weinig serieuze speelplekken en een overheid die geen besef heeft dat je kleine initiatieven en podia moet ondersteunen, is dat toch diep treurig?!
De consequentie van dit alles is dat diverse groepen inmiddels ook speelmogelijkheden in het buitenland hebben gevonden. Ik speel bijvoorbeeld met het trio Braam/DeJoode/Vatcher meer over de grens dan hier. Als je tegenwoordig in Nederland twaalf concerten op rij kunt organiseren ben je een hele spekkoper. Dan heb je een supertour. Maar daarna moet je wel twee, drie jaar wachten alvorens je weer zo’n tour kunt regelen. Er is amper een podium waarmee je met dezelfde formatie meer dan één keer per jaar kunt spelen.
Hoe kunnen we trouwens mensen duidelijk maken dat het niet nodig is de muziek te ‘begrijpen’, maar dat je het gewoon moet ‘beleven’ en dat het juist prachtig is iets te horen en te beleven dat je nog niet kent. De media kunnen daar een belangrijke rol in spelen, maar naar mijn idee verzuimen ze dat. Er zijn weinig mensen in de media die goed en gefundeerd kunnen schrijven waar die muziek om gaat. De kranten zouden wat dat betreft veel meer achtergrondinformatie moeten publiceren.
Ik wil nog wel één ding zeggen over het falikante subsidiebeleid van de overheid, die het hele podiumcircuit om zeep heeft geholpen. Het gaat nog veel verder. De overgebleven podia konden subsidie krijgen onder onder meer de voorwaarde dat ze gingen samenwerken of samenwerkingsprojecten gingen creëren. Iedereen had zoiets van ‘wat is dit nou weer.’ En hoe moet dat worden aangepakt. Zo’n podium uit Edam bijvoorbeeld, dat toch al 35 jaar bestaat en waar alleen maar concerten worden georganiseerd en dat goed functioneert, moest ineens gaan samenwerken of iets in die geest. Ik denk dan waar zijn ze toch mee bezig?
‘De situatie, nu in Nederland, is echt rampzalig. Zeker voor de progressieve muziek’. Foto © Elton Eerkens
Betrokken
Vroeger waren de politici meer betrokken en hadden affiniteit met moderne-kunstuitingen. Dat was ook de tijdgeest. Zowel politiek als maatschappelijk en ook in de kunst was er een stroming gaande die zich afzette tegen de autoritaire cultuur van de jaren vijftig. Er was een progressieve beweging op gang gekomen. Tegenwoordig wordt alles vanuit economische motieven bezien en beoordeeld.”
“Ik wil tenslotte nog graag het één en ander kwijt over impromuziek en vrije improvisaties. Een belangwekkend podium voor deze vorm van muziek is Zaal 100 in Amsterdam. Het is een muzikanteninitiatief (van onder andere Eric Boeren en Joost Buis). Het is een podium waarop muzikanten, in door henzelf samengestelde bezettingen, vrije muziek ‘concertant’ kunnen spelen. Dat gebeurt nu al zo’n twaalf tot dertien jaar wekelijks op de dinsdagavond. Daar zijn vaste groepen uit voortgekomen, zoals van Tobias Delius, Hillary Jeffrey, Achim Kaufmann en Frank Gratkowski.
Eén zo’n vaste groep is Kaufmann/Gratkowski/DeJoode. Inmiddels zijn van die formatie drie cd’s uitgekomen. Het is een ‘instant composing’ trio. Dat betekent dus geheel vrije muziek en improvisaties. De test voor het trio was een tournee (2007) in Amerika, waar we gedurende langere tijd elke avond op een andere plek moesten spelen. Als je avond aan avond moet spelen weet je niet of je telkens weer tot een geïnspireerd resultaat komt. Je wilt toch proberen elke avond ‘nieuwe’ muziek te maken. Dat is tijdens die tour heel goed gelukt.
Het was prachtig. Voor ons alle drie was dat het bewijs dat we het kunnen en daar ook langdurig mee door kunnen gaan. Ieder ontwikkelt zich zelf en studeert hard. Natuurlijk herken je bepaalde ingrediënten in elkaars spel. Het is een soort van zelfde taal spreken. Met woorden kun je een miljoen boeken schrijven met een totaal andere inhoud. Dat geldt ook voor muzikale middelen.
Verrijking
De speeltechniek is inmiddels zeer uitgebreid. De extended technics vormen een essentieel bestanddeel in de impromuziek. Ik vind het een verrijking van je muzikaliteit. Het hoort bij je vocabulaire. Essentieel is wel dat je als speler er dan ook muziek mee maakt, dat het niet een trucje of gimmick wordt. Het heeft natuurlijk veel met smaak te maken. Iedereen kan en mag iets wel of niet mooi vinden. Dat zegt nog niets over de kwaliteit.
In Berlijn is een minimalistische stroming gaande. Daar gaat het alleen over zuchten en ‘onhoorbaar’ spelen. Dat is niet mijn manier van spelen. Ik ben er te ongedurig voor en hou van ontwikkeling. Ik heb wel respect voor mensen die met dat soort dingen bezig zijn. Voor het tegenovergestelde, extatische free jazz, koester ik ook respect. Als je je open stelt hoor je binnen die stroom van ‘lawaai’ een prachtig verhaal; wisseling, verandering, frasering en zelfs melodie. Ik geloof ook niet dat muzikanten totale onzin spelen!
Het is evident dat je je instrument beheerst en kennis hebt van de toonladders. Een zekere ambachtelijkheid is wel vereist. Voor mijzelf vind ik het van belang de techniek en het strijken van mijn instrument te beheersen, maar alleen maar in het belang van de klanken die ik wil produceren. Als ik een bepaald idee over de klank heb moet ik dat ook kunnen realiseren. Het is een uniek proces.”
'Ik speel altijd met mijn ogen dicht. Ik vertrouw dat ik in die muziek mijn eigen
rol hoor'. Foto © Elton Eerkens
Praktijk van improviseren
“Als bijvoorbeeld Michiel Braam een blues speelt, hetgeen bepaalde muzikale verwachtingen impliceert, zal hij altijd proberen zijn eigen muzikale ‘afwijkende’, dus unieke, lijnen te spelen. Hij refereert wel aan de blues, maar toch wordt het een ander ‘verhaal’. En daarin moet je meegaan en volgen en zo creëer je iets bijzonders. Dan kun je best uitkomen in een enorme groove, maar verwacht niet dat dat dan eindeloos doorgaat. Verwacht ook niet dat er daarna iets komt wat er mee te maken heeft.
Dat onverwachte, die ‘instant composing’, maakt het spannend en interessant voor zowel de speler als de luisteraar. Om zo iets te bereiken moet je vertrouwen hebben, over een vocabulaire en een beslissingsvermogen beschikken, bewust zijn van je muzikale functie en heel goed kunnen luisteren.
Ik kan het misschien zo uitleggen: als je in een groep communiceert is de directe lijn en snelste connectie: iemand recht aankijken. De focus op de andere mensen om je heen is minder. Bij klank, bij muziek, is het mogelijk de ogen te sluiten. Toch bereik je iedereen door te luisteren naar de muziek. De muziek die ergens boven ons klinkt en waarop we anticiperen. Daar waar de muziek is heb ik dezelfde afstand tot mezelf als tot mijn medemuzikanten.
Ik speel altijd met mijn ogen dicht. Ik vertrouw dat ik in die muziek mijn eigen rol hoor. Het is een soort state of mind. Je graaft heel diep in jezelf. Tegelijkertijd staan al je antennes uit om te signaleren wat er muzikaal om je heen gebeurt. Het klinkt misschien hopeloos romantisch, maar daar vandaan komen alle beslissingen: bijvoorbeeld of er een onverwacht einde mogelijk is, of een switch in kleur en tempo, of dat het melodisch of harmonisch wordt, of dat het begint te grooven.
Je moet er ontzettend hard voor werken. Je neemt soms muzikale beslissingen die fout kunnen uitpakken. Je moet daarom zo geconcentreerd en alert mogelijk spelen. Kortom, alles is mogelijk en werkt vele malen beter dan wanneer je in een groep bewuste keuzes en afspraken maakt. Het is al met al een groot muzikaal avontuur.”
Hulde voor de dit fijne interview: veelomvattend en precies. Hoera!
Martin v.d. Veen - 18 Februari '10 - 00:16

