Artikel geprint vanaf Jazzenzo.nl

Marcus Miller bespeelt bas en publiek perfect

CONCERTRECENSIE. Tivoli Utrecht, Marcus Miller, 15 oktober 2007
beeld: Ron Beenen
door: Mischa Andriessen

Muziek maken is heel eenvoudig. You know. Jaren geleden demonstreerde Bootsy Collins dat in het televisieprogramma Rockschool. In deze destijds door Teleac uitgezonden serie werden de basisbeginselen van het spelen in een band uit de doeken gedaan. Bootsy mocht uitleg geven over funk. Heel simpel, kwestie van maat houden. Je speelt een noot, you know, die je precies op tijd herhaalt, you know en verder kun je er alles tussendoor spelen; klabibolubadakekedengkedeng kedeng, you know.


Marcus Miller in Tivoli Utrecht met R&B zangeres Jean Baker

Marcus Miller was in die tijd al een bekend muzikant, maar zijn muziek stoelt exact op dit principe. Alleen heeft Miller het werk deels uitbesteed. Een vervaarlijk ogend duo dat deed denken aan de twee baardige, zwarte mannen in de beruchte clip bij Aphex Twins “Window Licker”, drummer Poogie Bells en toetsenist Bobby Sparks zorgen voor een onweerstaanbare rechttoe rechtaan groove. Daardoor lijkt de inbreng  van de overige muzikanten soms weinig meer dan een invuloefening, lickje, solootje daar, maar dan wel een van het spectaculairste soort. De musici spelen stuk voor stuk op het effect. Virtuoos, hard en spetterend. Minder om te imponeren dan om een goede show neer te zetten. Vakmannen zijn het, die weten hoe je een solo én een optreden moet opbouwen tot een climax.

Wie zich daar aan stoort, stoort zich aan het effect bejag op zich, want het doel dat wordt nagestreefd, wordt moeiteloos bereikt, met Miller als het ogenschijnlijk bescheiden middelpunt. Alles, de muziek, de show draait om hem, om zijn verbluffende techniek en professionaliteit waardoor muziek maken zo vreselijk eenvoudig oogt. Het lijkt geen kracht, geen inspanning te kosten en ook het componeren komt over als kinderspel: een simpel en doeltreffend melodietje, kort en catchy, en een vet aangezette swing, meer heb je niet nodig. Het van Miles Davis bekende stuk “Jean Pierre” dat Miller voor zijn nieuwste cd “Free” weer heeft opgenomen, is daar een prachtvoorbeeld van. Een niets om het lijf wijsje dat je nooit meer uit je kop krijgt.

Dat zowel de nummers zelf als het optreden volgens vastomlijnde patronen verlopen, is een logisch gevolg van Millers resultaatgerichte werkwijze. Hij kent het effect van zijn muziek op het publiek, weet dat hij altijd terug kan vallen op zijn onnavolgbare slaptechniek om de monden open en de handen op elkaar te krijgen. Tussen het spetterende openingsnummer “Blast” en de even enerverende Beatlescompositie “Come together” werd niets aan het toeval overgelaten, ook al werd er heel succesvol gedaan alsof. Het gastoptreden van R&B zangeres Jean Baker, de manier waarop trompettist Patches Stewart tijdens “Jean Pierre” vanuit het donker ineens het podium kwam opgelopen om een rasechte ‘Miles’ solo weg te geven.

Het is allemaal het resultaat van jarenlange ervaring, van spelen, spelen, spelen, maar dat  maakt niet uit. Het werkt en wat er ook moge gebeuren. Achteraan het podium, deels verscholen achter hun instrumenten zijn er die twee woest uitziende mannen die de heerlijk dwingende beat neerleggen waar het allemaal om te doen is. You know.     


© Jazzenzo 2010