Artikel geprint vanaf Jazzenzo.nl

Michiel Borstlap, jodelen en free jazz op Utrecht Jazz Fest

CONCERTRECENSIE. Utrecht Jazz Fest, Utrechts Conservatorium, Rasa, SJU Jazzpodium, Vredenburg, 11 t/m 15 maart 2008
beeld: Maarten Mooijman, Irene Hadiprayitno
door: Mischa Andriessen

Hank Roberts, Marc Ducret, Jim Black
Het is de nachtmerrie van iedere muzikant; kapotte instrumenten, haperende versterkers en dat allemaal tijdens de set. Het trio Roberts/Ducret/Black heeft een nummer aan dat ongemak opgedragen: 'The Jersey Devil'. Daarmee riep de groep het onheil mogelijk ook over zich af.


Hoogtepunt van het vijfdaagse Utrecht Jazz Fest was het concert van het trio Hank Roberts, Marc Ducret en Jim Black

Op het veertiende concert op een toer van zestien begaf Roberts derde versterker het. Zijn cello was eerder die dag al gevallen. Het leverde een even pijnlijk als interessant schouwspel op; een cellist die verbazingwekkend kalm op zoek gaat naar de rare brom die zijn instrument voortbrengt en de boosdoener, geheel in lijn met Murphy’s wet, pas bij het onderzoeken van de laatste optie vindt.

Die noodzakelijke, lange onderbreking deed het optreden geen goed. Desondanks was het concert van Roberts/Ducret/Black moeiteloos en verreweg het beste van vijf dagen Utrecht Jazz Fest. Het festival werd geafficheerd als ‘grensnegerend’ en dat is precies wat de muziek van het drietaal bij uitstek is. Volksmuziek, rock, jazz, klassiek en een en ander dat nog geen naam gekregen heeft, smelten samen tot een enerverende mix waarin drie uitgesproken en zeer, zeer kundige muzikanten hun verhaal doen.

Gitarist Marc Ducret lijkt nog wel eens expres de moeilijkste route te kiezen, maar bij wat hij onderweg tegenkomt, zitten altijd heel opmerkelijke vondsten. De samen- en tegenspraak met Roberts cello kwam door de makke met dat laatste instrument niet honderd procent uit de verf, maar niettemin is de rijkdom aan al dan niet tegendraadse harmonieën, sferen en klankleuren voor zo’n beperkte bezetting onbegrijpelijk groot. In deze muzikale opzet is er geen betere drummer denkbaar dan Jim Black; een ritmisch orkest op zichzelf en zeldzaam inventief. De wankelmoedige en onvaste zang van Roberts kwam weliswaar gevaarlijk dicht in de buurt van emotioneel exhibitionisme, maar de zeggingskracht van de muziek van dit trio oversteeg ruimschoots die van alle voorgaande optredens op deze editie van het UJF. Het ene ogenblik muziek als een kauwgombal die opgeblazen wordt en schijnbaar oneindig wordt opgerekt. Laten klappen, slikken en weer blazen; een nieuwe bal. Heel anders dan de vorige.

Erica Stucky’s Suicidal Yodels
Vruchtenthee uit een zakje. Kaas gesneden met een broodzaag. Paardrijden. Naakthondjes. Piercings. Toerisme studeren. Naakt kamperen. Sowieso kamperen. Musicals. Treinen spotten. Alles met venkel. Klaverjassen. Loungen. Survival weekends. Ruilbeurzen. Ziekenhuisseries. Platte schoenen onder een rokje. Stellen met identieke jassen in bonte kleuren.


Erica Stucky’s Suicidal Yodels met Jon Sass op tuba (rechts)

Boeren die vrouwen zoeken. Vrouwen die boeren willen. Aardbeienjenever. 3-D kerstkaarten knippen… Er zijn veel dingen waar mensen van houden of graag naar kijken, die onbegrijpelijk zijn. Erica Stucky: hysterische jodelaarster met een theatrale persoonlijkheidsstoornis en de kwaliteitshumor van een buurtklucht. Het niveau van een onvoorbereide bonte avond ter afsluiting van een schoolkamp. Een publiekstrekker blijkbaar. Onbegrijpelijk… Onbegrijpelijk ook wat een geweldig muzikant als Jon Sass te midden van deze stuitende meligheid doet.

McPhee, Brötzmann, Kessler, Zerang
Vorig jaar stond dit kwartet al eens als onderdeel van Peter Brötzmann’s Chicago Tentet op de planken van het SJU Jazzpodium. Dat was wat power betreft een overweldigend optreden. In die orkaan van geluid kwamen destijds echter niet alle spelers tot hun recht. De belangrijkste was Joe McPhee. Een speler die weliswaar heel krachtig kan blazen, maar die daarnaast heel subtiel speelt en het contrast tussen die twee speelwijzen heel spannend maakt.

   
Joe McPhee (links) op pockettrompet deelde het podium met Peter Brötzmann en bassist Kent Kessler

Zoals verwacht, trad hij in deze viermansbezetting veel meer op de voorgrond en kon hij met zijn fijnzinnige spel een aansprekend weerwoord geven op de onverwoestbare Brötzmann. Het zijn twee overlevenden van de free jazz die in de jaren zestig begon en wie ze het aan het werk ziet, kan alleen maar beamen dat dat een wonder is. Brötzmann en McPhee hebben niet alleen lijf en leden behouden, maar ook - en dat is zeldzamer - hun techniek. Veel free jazz spelers hebben het verwijt gekregen eigenlijk niet te kunnen spelen. Dat is in een paar gevallen waarschijnlijk waar, maar het geldt met zekerheid niet voor Brötzmann en McPhee. Met Brötzmann op alt-, tenorsax, klarinet en de Hongaarse táragató en McPhee op tenor, klarinet en pockettrompet was er een opvallend grote variatie in klankkleur.

In het geweld van het openingsnummer ging de bijdrage van Kent Kessler (toch de enige die versterkt speelde) nog verloren, maar gaandeweg vond het kwartet gelukkig de balans zodat van alle vier de muzikanten genoten kon worden. Ook Kessler is iemand met veel techniek. Iemand wiens gestreken werk zuiver blijft, bijvoorbeeld, met een fraai gebruik van boventonen. Drummer Michael Zerang oogt wat stoïcijns, maar is zeer empatisch in zijn spel. Met de dominante oerkracht van Brötzmann als een gegeven, is het zeer verstandig om het slagwerk beheerst te houden, precies zoals Zerang deed.

Dan Brötzmann. Hij is en blijft een zeer expressieve speler wiens ‘schrei noch ausdruck’ een onvergetelijke indruk blijft maken. Zijn spel is een voortdurend gevecht tussen beheersing en ontlading van emotie, met zoveel energie naar buiten gebracht dat je er als luisteraar wat timide van wordt. Ondergaan, dat is de beste optie en dan groeit geleidelijk aan de toch al grote bewondering voor die gedrongen, nurkse man die heel stoer zijn hart uitstort. McPhee speelt als zijn beste vriend. Hij troost en steunt. Hij daagt ook uit en is niet bang de strijd aan te gaan. De giganten naast en soms tegenover elkaar, bijgestaan door een begripvol ritmetandem. Een feest om te zien en horen.

Michiel Borstlap ‘El Dorado’
Michiel Borstlap is een virtuoos. Dat is voor sommigen genoeg. Muziek is voor menigeen het summum van zich verbazen. Wat de virtuoos aanraakt, wordt goud. Op zijn minst voor even. Het schittert. Het schijnt. Het roept bewondering op. De virtuoos is echter niet snel tevreden. De virtuoos verveelt zich snel. Hij zoekt nieuwe wegen. Verlaat de ingeslagen paden nog voor hij halverwege is. Er is meer te ontdekken. Meer te onderzoeken. Meer te bewijzen ook. Er is immers niets wat hij niet kan.


Michiel Borstlaps El Dorado met Boudewijn Lucas op bas, Erik Kooger slagwerk en Sanne van Hek trompet

El Dorado: het goudland. Het mythische goudland. Schitterend als in een droom. Vooralsnog onvindbaar. Als iedere idylle heeft zij een scherpe rafelrand. Wie er naar grijpt, snijdt zich. Het zijn waaghalzen; de virtuozen. Ze doen het toch. Ze blijven reiken naar het onbereikbare. Nemen met niet minder dan alles genoegen. Wat zij al bewezen hebben, is niet voldoende. Ze willen het onderste uit de kan. Michiel Borstlap is een virtuoos. Michiel Borstlap is een dappere man.

Festivalgevoel
Het UJF heeft ten dele gedwongen door het wegvallen van de vaste locatie een aantal veranderingen ondergaan. De organisatie zoekt duidelijk nog naar de juiste invulling van een nieuwe formule. Met name het tijdstip van het interessante fringe programma moet misschien nog eens nader worden bezien.

Acts als Erica Stucky en het na McPhee, Brötzmann, Kessler, Zerang aantredende Bernie’s Lounge vervulden hun rol als publiekstrekkers en uithangbord naar niet hardcore jazzfans met verve. Dat de echte jazzliefhebber zich bij dergelijke bands wat ongemakkelijk voelt, gaat ten koste van het oude festivalgevoel waarbij min of meer gelijkgestemden drie dagen in Vredenburg zaten, luisterden, vaak genoten en bekenden troffen. In de vernieuwde opzet van het UJF kiest iedereen wat van zijn gading is. Dat is voor sommigen wellicht minder dan het was, maar voor anderen, een nieuw publiek, is het dan hopelijk meer.  


© Jazzenzo 2010