Artikel geprint vanaf Jazzenzo.nl

Alles kan op North Sea Jazz: monumentaal eerbetoon John Scofield aan Hank Williams

NORTH SEA JAZZ 2009, recensie, Ahoy Rotterdam, zondag 12 juli
door: Rinus van der Heijden


Een eenzame man op een van de immense podia van het North Sea Jazz Festival in Rotterdam. Kaal, voorover gebogen. Gefascineerd door zijn gitaar, in de ban van zijn eigen spel. Een solo: vrij, indringend, overweldigend, haarzuiver en niet gebonden aan conventies. Er doorheen geweven millisecondes van herkenning.

Die herkenning wordt definitief als Hammondorganist/pianist Jon Cleary de door gitarist John Scofield terloops aangestipte melodie oppikt en uitwerkt. Het blijkt ‘Angel of Death’ van de in 1953 overleden countrylegende Hank Williams te zijn. Cleary ziet kans de sfeer van Williams, kaal en bij het origineel slechts gevormd door de nasale keelstem van Williams, in deze even kale, immense concerthal van een jazzfestival, te treffen. En Scofield? Hij als ster van zijn Piety Street Band bouwt ‘Angel of Death’ uit tot een monumentaal eerbetoon aan Hank Williams, neergezet in overrompelende muziek die elke grens slecht en alle Amerikaanse volksmuziek (country, jazz, gospel, soul, blues) liefdevol bijeenbrengt en samen smeedt tot… ja, wat? Tot muziek in elk geval die je in de ziel treft en in haar eentje de gang naar North Sea Jazz 2009 rechtvaardigt.


De rotsvaste McCoy Tyner met John Scofield en oude rot Gary Bartz. Foto © Eddy Westveer

Jaren geleden kon gitarist Bill Frisell dat ook, die elementen uit de Amerikaanse muziekgeschiedenis eren en in een eigentijdse jurk hijsen. Zoals de Piety Street Band eerder tijdens haar concert ook al deed met ‘Something’s got a hold on me’ waarin Scofield als een rock&roll-gitarist tekeer ging of de gospel ‘I’m a soldier in the army of the Lord’ met zijn snerpende gitaarriffs uiteen reet. Nu lijkt Frisell een bedachtzame middelbare heer geworden, die als gast bij het McCoy Tyner Trio vooral zijn best deed niet op te vallen. Datzelfde gold helaas ook voor John Scofield, hier eveneens op de gastenlijst, die even kleurloos als Frisell achter de veel te vaak opduikende soli van ouwe rot Gary Bartz aan hinkelde. Bartz heeft nooit tot de spannendste altsaxofonisten behoord en dat is er niet beter op geworden, nu hij oud is. Gelukkig maar dat McCoy Tyner nog niets van zijn rotsvaste toucher en zijn sprankelende invallen is verloren, anders was dit veel te behoudende concert één grote mislukking geworden.

Erfgoed
En dan was er nog John Zorn. Ook een Amerikaan die het erfgoed van vroegere jaren koestert en transformeert naar de eigen tijd. Soms tenminste. Niet altijd. Zoals bij zijn project ‘Filmworks’, waarin hij tweeëntwintig door hemzelf gecomponeerde soundtracks heeft bijeen gepakt. De erfenis van Amerikaanse muziek klinkt er enigszins in door, maar dan uit de hoek van zoete, verhullende Hollywoodfilms. Is dit Zorn, vraag je je af, als hij zijn orkest dirigeert door vaak fondantachtige, stroperige klanken die avontuur en vooral spanning ontberen.










John Zorn sloot zijn reeks concerten als Artist in Residence af met de projecten Filmworks en Cobra. Foto © Eddy Westveer

Hoe anders is dat bij Zorn’s project ‘Cobra’. Het is al 25 jaar oud, bedacht door Zorn en door talloze musici vertolkt. ‘Cobra’ is in feite een interactief spel tussen een dirigent en een orkest, waarbij de dirigent door middel van op bordjes geschreven letters aanwijzingen geeft, die de musici al dan niet hoeven op te volgen. Het resultaat is een spannend bordspel, waarbij het ongelooflijke vakmanschap van Zorn’s orkest - de gave om zonder aarzelingen te anticiperen en op de grilligheid van Zorn in te haken - de ene keer zorgde voor gedragen orkestklanken en de andere keer voor een orkaan die het einde van deze wereld leek aan te kondigen. De aanwezigheid van individuen als harpiste Zeena Parkins, slagwerker Joey Baron en gitarist Marc Ribot is de krachtdadige garantie, dat zonder hen ‘Cobra’ tot mislukken is gedoemd.










Anthony Braxton begaf zich in het onafzienbare landschap van de vrije improvisatiemuziek. Foto © Eddy Westveer

Vrij en onverveerd is nog altijd rietblazer Anthony Braxton. Wie hem gaat verwijten dat hij nog in de vrije jaren zestig van de jazz opereert, heeft gedeeltelijk gelijk. Maar de vrijheid van Braxton is met de jaren geëvolueerd en fantasierijker geworden. Op North Sea opeerde hij met koperblazer Taylor Ho Bynum en gitariste Mary Halvorson. De laatste liep bedachtzaam in de muziek van Braxton mee: de trompettist/trombonist ging enerverende duels aan met Anthony Braxton, die de muziek aankleedde en voor zijn opponent moeilijker maakte met computer en samples. De knetterende klankvelden die dit opleverde waren exercities door het onafzienbare landschap van de vrije improvisatiemuziek. Indrukwekkend en in de details zeker nieuw.

Grijze middenmoot
Die laatste kwalificatie gold niet voor het John Taylor Trio, The Story en het Bart Lust Quintet. Taylor is de zoveelste exponent van het klassieke pianotrio dat zich niet boven de grijze middenmoot weer te verheffen. The Story is een kwintet waarbij je je afvraagt: wat bezielt de programmeurs van North Sea Jazz om juist dit vijftal te contracteren? Een altsax en tenorsax voor een weinig inspirerende ritmesectie zijn al zo oud als Methusalem en dienen  allang naar de vuilnisbelt van de vergetelheid te zijn verwezen. Voor het Bart Lust Quintet geldt hetzelfde. Mooie-herenjazz, waar tenorsax en trombone o zo beschaafd met piano, contrabas en slagwerk ‘stoeien’. In een benauwende tent, waar ze zich geen moment uit laten lokken. Boter aan de galg van een toonaangevend jazzfestival.










Een grote verrassing op de slotdag van North Sea was het concert van de
Britse zangeres Adele. Foto © Ron Beenen


Het North Sea Jazzfestival is een evenement dat al jarenlang discussies oproept over de invulling ervan. Laten wij ons daar één keer van onthouden en het concert van Adele in herinnering roepen. Adele is een anderhalf jaar geleden ‘ontdekte’ Britse zangeres, bij wie het er niet toe doet of je haar categoriseert als jazz- of als popvocaliste. In de immense ruimte van de Nile-hal maakte ze haar Nederlandse entree. En hoe. In korte, slechts twee tot drie minuten durende liedjes, diepte ze alle mogelijkheden van haar stem zonder enige moeite op uit haar imposante lichaam. Ze beschikt over een ingehouden kracht, waarvan de reserves haar stemgeluid álles laten kunnen. Ze haalt zonder trucages als een stormwind uit naar het hoogste register, duikt moeiteloos naar het laag, trekt alle dynamische mogelijkheden van haar stem naar de oppervlakte. Ze lijkt op een kruising van Mama Cash en Dionne Warwick, mist weliswaar het dramatische van Amy Winehouse, maar breit evenals zij moeiteloos de ene na de andere emotie aan elkaar. Kortom: zij is een even grote verrassing als Winehouse en ‘oma’ Susan Boyle en doet het beste vermoeden voor de toekomst van de Britse muziekscene.

Ware verrasssing
Tot slot een ware verrassing van eigen bodem: de Omnibus van Ernst Glerum. Ook een pianotrio, maar in een volstrekt nieuwe gedaante, omdat contrabassist Ernst Glerum de hoofdrol naar zich toetrekt. Bijvoorbeeld door zijn dansende strijkstok lichtvoetig over meer dan één snaar te laten dansen en hierdoor meerdere ritmes tevoorschijn te toveren. Als hij dan ook nog kans ziet tussen dat dansen andere snaren aan te strijken, dan loop je tegen zinsbegoocheling aan. Dat pianist Ruben Hein en slagwerker Joost Patocka zich daarbij beleefd wat op de achtergrond houden, neem je hen slechts in dank af.


© Jazzenzo 2010