Artikel geprint vanaf Jazzenzo.nl

Talentvolle Aaron Parks nog geen echte leider

CONCERTRECENSIE. Aaron Parks, Bimhuis, Amsterdam, 11 november 2009
beeld: Ron Beenen
door: Tim Sprangers

‘Invisible Cinema’, de eerste grote plaat van Aaron Parks op eigen naam, is door menig criticus genoemd als het meest verrassende album van het afgelopen jaar. Voornamelijk zijn onalledaagse insteek plezierde vele oren. De jonge pianist (26 jaar inmiddels) luistert meer naar pop- rock- en hiphopmuziek en dit hoor je dan ook in de composities. Heldere thema’s en frisse structuren, rockconventies en veel luchtigheid kenmerken de plaat.


Het trio van pianist Aaron Parks kreeg in het Bimhuis tegen het einde van het concert gezelschap van gitariste Ila Cantor.

Maar daarmee maak je natuurlijk nog geen goed album. De toegankelijkheid vormt een uitgangspunt maar krijgt vorm in vaak complexe ritmes en gefragmenteerde opbouw. Meng deze elementen met een onvoorstelbare dosis creativiteit omgeven door een omheining van grote dramatiek in klankkleur en structuur. Parks verwerkte niet voor niets het woord ‘cinema’ in de titel van zijn album. De composities zijn bijzonder sfeervol en zouden prachtig een heftig filmisch tafereel kunnen begeleiden. Als 18-jarig ventje (overigens toen al afgestudeerd musicus), speelde hij in de formatie van Terence Blanchard, die al jaren de soundtracks van filmregisseur Spike Lee verzorgt.

Parks is een genie. Uniek zijn de treffende noten, de fantasierijke invullingen in solo’s en begeleiding, zijn leeftijd en het compositietalent vanuit Parks’ eigenzinnige moderne insteek. In het voorjaar kreeg hij als lid van Kurt Rosenwinkels kwartet het Bimhuis op zijn kop. Toch viel hij in zijn eigen trio, met zijn piano als enig melodisch instrument, tegen. Het lijkt alsof de Amerikaan een rivaal behoeft die hem moet drijven tot hoogtepunten. Waar op ‘Invisible Cinema’ het felle spel van gitarist Mike Moreno Parks wederwoord en geestdrift bood, kon hij de weliswaar betoverende inhoud in vele composities niet uitbouwen naar een werkelijke betovering. Parks bleef hangen in eigen sferen, en durfde deze niet uit te bouwen naar iets tastbaars. Hij leek onzeker en daardoor twijfelend.


Bassist Matt Brewer en slagwerker Tommy Crane.

Dit lag niet aan bassist Matt Brewer en drummer Tommy Crane. Brewer excelleerde in subtiele solo’s; de leeftijdsgenoot van Parks gaf daarnaast veel ruimte aan het soms zwaar lyrische spel van de pianist. Crane speelde met de vaak gecompliceerde maatsoorten. De drummer acteerde fel, wellicht als antwoord op de soms inzakkende melodieën van Parks. Feit blijft dat, waar Rosenwinkel live of Moreno op de plaat vele composities tot waanzinnige climaxen drijven, er nu stiltes vielen. Parks kon moeilijk de lege ruimtes opvullen, waardoor het geheel aan de nodige energie moest inboeten. Pas toen gitariste Ila Cantor zich tijdens de laatste nummers aansloot bij het trio, leek de pianist wakker te worden. De rauwe sound van Cantor met een flinke portie rock leek Parks te inspireren. Gebrek aan helder samenspel echter, zorgde voor een soms schaamteloze verbrokkeling. Het zagend zingende thema in ‘Nemesis’ wilde maar niet vlammen.

Parks blijft een van de meest veelbelovende pianisten van dit moment, niet alleen compositorisch, maar zeker ook technisch en emotioneel. Hoewel zijn immer in drama geabsorbeerde spel boeiend blijft, blijkt dat hij nog onvoldoende ervaring en lef heeft om een stabiele basis te geven als leider van een pianotrio.


© Jazzenzo 2010