Artikel geprint vanaf Jazzenzo.nl

Kamermuziek, wereldgitaren en Middellandse Zee in één festival

STRANGER THAN PARANOIA 2009, Paradox Tilburg, 27 en 28 december
beeld: Joep Eijkens, Marcel Mutsaers, Stef Mennens
door: Rinus van der Heijden

Dacht je met Three of A Kind al op de tweede dag van Stranger Than Paranoia het mooiste concert van het festival te hebben binnengehaald, knallen er een dag later twee andere zomaar overheen. Ze mogen op het conto worden geschreven van het duo Harmen Fraanje/Philip Catherine en de Amerikaans/Zwitserse Erika Stücky.

Piano en gitaar, ze werden door Harmen Fraanje en Philip Catherine naar onaantastbare hoogte gestuwd. Als met fluweel omfloerste klanken, gouden noten, rust en een constante stroom van muzikale energie wisselden de twee uit, zorgvuldig neergelegd in kamermuziekachtig duospel en ingenieus langskomende improvisaties. Het zijn slechts woorden die nauwelijks kunnen uitdrukken hoe het duo de hogeschool van de improvisatiemuziek heeft bereikt. Een hogeschool, waar beiden de faculteiten ‘naar elkaar luisteren’ en ‘toptechniek’ cum laude hebben doorlopen. Hun praktijkervaringen nadien dragen er toe bij, dat – ondanks het feit dat ze pas korte tijd samenspelen – er een nieuw ensemble is toegevoegd aan de kruin van de improvisatiemuziek.

Een piano als uitsluitend akoestisch instrument; een elektrische gitaar die door pedalen en elektronica zichzelf van nieuwe klankgebieden kan voorzien. Een pianist heeft in dit geval de beschikking over dit ene instrument dat zonder hulpmiddelen slechts klank voortbrengt. Hij heeft er voor te zorgen dat door zijn toucher, zijn fantasie, zijn spelopvatting hij rechtstreeks kan duelleren met zijn tegenspeler. In het geval van Harmen Fraanje en Philip Catherine gebeurde dat ook. Noten werden weggelaten, stilte werd benut om beider spel meer draagkracht te verlenen. Elkaar een thema aangeven betekende om de beurt dat thema ter hand nemen en die beurt dan benutten om elkaars wegen te laten scheiden. Philip Catherine liet zijn gitaar zingen als was het een recital, Harmen Fraanje begeleidde dan met kabbelend spel. Een andere keer was het de pianist die het voortouw nam, notenreeksen liet stromen die door de gitarist werden opgevangen en van eigen fantasie voorzien aan de luisteraars werden doorgegeven. Dit duo-optreden werkte zich daarmee naar een hoogtepunt van het Tilburgse festival.

En dan was er Erika Stücky. Zij benadrukte vanaf haar opkomst het element ‘paranoia’ in de titel van het festival. Wat en wie zij is? Omschrijf dat maar eens. Een poging: zangeres, cabaretière, actrice, clown, een vrij van elke beperking voort ratelende mafkees, maar vooral vocaliste in de breedste zin van het woord. Stücky bouwde een droomwereld, met sketches, zang, film en onvoorspelbare wendingen waarin zij werd begeleid door slagwerk en bastuba. Doris Day klopte aan, evenals zes bondagejuffrouwen uit Japan die Stücky in Noorwegen had ontmoet, en ook Marlon Brando die in Italië koffie met suiker dronk met een diabetespatiënt. Marvin Gaye’s ‘I Heard It Through The Graveyard’ klonk in een ongehoorde versie en het optreden werd besloten met een rap. Tussendoor goochelde Erika Stücky met een accordeon en heel kunstzinnig met filmbeelden. Die zorgden er bijvoorbeeld voor, dat zij op het filmdoek dansend in een sappige wei, lijfelijk aanwezig op het podium een duoversie ten gehore kon brengen van de Stones-klassieker ‘Gimme Shelter’. Krankjorum, maar indrukwekkend.


Philip Catherine, Erika Stücky met slagwerker Lucas Niggli en tubaïst Jon Sas, en gitarist Jan Kuiper die optrad met Stochelo Rosenberg en Zoumana Diarra onder de naam 'Three of a Kind'.

Hoogstaand was het optreden van Three of A Kind, waarachter de gitaristen Jan Kuiper, Stochelo Rosenberg en Zoumana Diarra schuilgaan. Zij stonden garant voor een hoogstaand concert, dat voor de miljoenste keer bewees dat muziek niet is gebonden aan welke cultuur dan ook. Want een gitaar uit de hoek van gipsymuziek, een uit de jazz en een die diep wortelt in Afrikaanse culturen klonken hier als volstrekt voor de hand liggend. Virtuositeit vierde hoogtij, maar die was onlosmakelijk verbonden met de emoties van drie totaal verschillende uitvoerders. In ’Samuel’ gaf Zoumana Diarra het Afrikaanse thema aan, waaronder Jan Kuiper en Stochelo Rosenberg westers improviseerden. Een musette van Stochelo Rosenberg paste perfect in de erfenis van Django Reinhardt, de stortvloed aan akkoorden was in goede handen bij de andere twee.

Jan Kuiper, die zich steeds meer richt op andere muziek dan alleen jazz, toonde imponerende staaltjes techniek op een gitaar die speciaal was gebouwd voor Indiase muziek. Hij en Stochelo Rosenberg brachten een nauwsluitende, bijna zingbare ode aan gitaarreus Wim Overgaauw en tussendoor liet Zoumana Diarra op een zelfgebouwde balafoon horen hoe melodieus muziek uit zijn vaderland Mali kan zijn. Als denderende uitsmijter gaf de West-Afrikaan een solorecital op de kora. Een van het speciale soort, met maar liefst 44 snaren, waarmee hij de enige ter wereld is die deze Afrikaanse tegenhanger van de harp, aankan.

Een reisje rond de Middellandse Zee, dat verzorgden klarinettist Gianluigi Trovesi en accordeonist Gianni Coscia. Prachtig ingetogen werk op Es- en altklarinet, van slingers en confetti voorzien door een accordeon, die nergens huilend uithaalde, maar de mediterane klanken van Trovesi leidde door landen als die van het Oostblok, Spanje, Frankrijk en natuurlijk Italië. Prachtig was een stuk dat een plein verbeeldde met op elke hoek een carrousel. Warempel, je hoorde die draaimolens echt! De twee beperkten zich gelukkig niet alleen tot het muzikale landschap rond de Middellandse Zee. Trovesi gooide er een Broadway-deuntje tussendoor en kwam zelfs uit op een stuk uit de ‘Driestuiveropera’ van Brecht/Weill. Gegoochel met lucht, vals pathos en humor maakten dit concert gedenkwaardig.


Pianist Joris Reutelingsberg (Brabants Jazz Orkest), accordeonist Gianni Coscia en klarinettist Gianluigi Trovesi, singer-songwriter Niels Duffhuës met bajanspeler Oleg Fateev.

Het Brabants Jazzorkest bracht een knappe ode aan orkestleider Stan Kenton. Diens niet gemakkelijkste werken als ‘Intermission Riff’ en ‘Artistry Jumps’ kwamen er aalglad en onverdroten uit. Gemakkelijker in het gehoor liggende klassiekers als ‘Malaguena’ en ‘Malaga’ kregen een opwindend latijns tintje mee, terwijl de compositie ‘Holland’ als een ware verrassing gold, omdat het een big-bandversie bleek van volkslied ‘Wilhelmus’. Met het overbekende ‘The Peanut Vendor’ liet orkestleider Jeroen Doomernik met vrijwel losse handen horen hoe het orkest onder zijn directie is geworden tot een toonaangevende bigband in Nederland.

Ook uit Brabant komt singer-songwriter Niels Duffhuës. De geboren Bosschenaar bezit een stem die zich beweegt tussen die van Tom Waits en Neil Young – en waarschijnlijk nog veel meer ruwgevooisden. Hij begeleidde zichzelf op piano, maar dat duurde niet lang omdat hij een heus strijkkwartet op het podium riep. Zijn eigen, donkergekleurde teksten, werden soms zoet, maar meestal met forse, doordachte strijkersklanken, gekleurd. Duffhuës’ concept werd een strik omgedaan toen bajanspeler Oleg Fateev aanschoof. De (Russische) accordeonklanken bewogen zich terughoudend en gedisciplineerd onder stem, piano en strijkkwartet door. Waardoor ook dit alweer afwijkend progamma-onderdeel van Stranger Than Paranoia zich fantastisch voegde in de bedoelingen van het festival: vrij en onverveerd laten horen en zien wat improvisatie allemaal vermag.


© Jazzenzo 2010