Artikel geprint vanaf Jazzenzo.nl

Ritmisch en melodieus vlechtwerk van bovenste plank

CONCERTRECENSIE. Zakir Hussain & Masters of Percussion. Muziekgebouw aan 't IJ, Amsterdam, 1 november 2014
beeld: Maarten Mooijman
door: Stefan de Graaf

De opstelling op het podium van de grote zaal van het Muziekgebouw aan 't IJ doet denken aan ‘Het Laatste Avondmaal’ van Leonardo da Vinci. De uitgestrekte tafel is nu alleen gedekt met tal van bekende en minder bekende Indiase instrumenten - van de tabla tot de doyra (tamboerijn) - elk voorzien van een microfoon om de fijnste nuances in het bijna volmaakte ritmische spel van tablaspeler Zakir Hussain en zijn Masters of Percussion hoorbaar te maken.

  
Tablaspeler Zakir Hussain en Masters of Percussion in Muziekgebouw aan 't IJ. Met Rakesh Chaurasia (bamboefluit) en Abbos Kosimov (tamboerijn). 

Op het menu staan Indiase raga's, een klassieke Indiase muziekvorm waar binnen - in tegenstelling tot de klassieke westerse muziek – wordt geïmproviseerd. Die traditie wordt door Hussain verrijkt met folk, klassieke en hedendaagse muziek, waardoor het ook ineens kan klinken als Johann Sebastian Bach of Steve Reich.

Iconografie
De associatie met religieuze (en bovendien westerse) iconografie is natuurlijk een toevalstreffer, maar bij nader inzien helemaal geen slechte. Met religie - in de zin van het sublieme en verhevene - heeft de door deze groep vertolkte Indiase muziek namelijk alles te maken: haar ritmische virtuositeit is onnavolgbaar en bijna bovenmenselijk. Tegelijkertijd - en dat maakt het sublieme tastbaar - blijft het juist menselijk, aards en zo nu en dan humoristisch. Ja zelfs circusachtige acts (een met doyra's jonglerende Abbos Kosimov) worden niet geschuwd. Als Zakir Hussain en zijn Masters of Percussion ergens in slaagt, dan is het wel die verbinding te leggen tussen het volmaakte en het menselijke.

Ergens voel je jezelf vooral heel nederig bij het beluisteren van deze grootmeesters: zo laat Hussain de tabla klinken alsof het een orkest is, speelt met een virtuositeit en beheersing waar je alleen maar veel  ontzag voor kunt hebben, maar waar je ook een beetje verlegen van wordt. Korte erupties van ritmische virtuositeit dwingen regelmatig applaus af. Dat geldt als bewijs dat hier een krachtig staaltje topsport wordt geleverd.

  
Sabir Khan bespeelt de sarangi (houten snaarinstrument).

Maar tegelijkertijd is er niets menselijkers dan deze groep musici. Die menselijke maat komt onder meer terug in de roulerende en wisselende bezetting die meestal uit maximaal twee musici bestaat. Iedereen krijgt de volledige ruimte. Maar het menselijke zit vooral ook in de voortdurende muzikale dialoog, die wordt gezocht. Vaak als vraag-en-antwoordspel. Soms ook als woordenwisseling of rondetafelgesprek.

Als de muzikale dialoog het klinkende verhaal is, dan zijn de instrumenten van deze musici de personages. De klagerige en melancholisch klinkende sarangi (houten snaarinstrument) en het fluweelzachte en warme geluid van de bansuri (bamboefluit), ze hebben niet alleen een geheel eigen karakter en signatuur, ze krijgen ook de speelruimte deze glansrol te vervullen binnen het verhaal.

Glansrol
Zo'n glansrol klinkt in het begin van de tweede helft in een duet tussen Zakir (tabla) en Rakesh Chaurasia (bamboefluit). In de gebruikelijke vorm van de raga (van rust naar hoogtepunt) spelen ze elkaar met een lange aanloop naar de absolute top. De instrumenten - hoe verschillend! - lijken daarbij uitwisselbaar te worden: Rakesh Chaurasia laat zijn fluit ritmisch klinken als een tabla en Hussain laat zijn tabla melodieus dansen. Het is ritmisch vlechtwerk en subtiele interactie van de bovenste plank. In die lange aanloop wordt het geduld van het publiek op de proef gesteld maar - dat weet de grote schare fans ook - dat wordt altijd beloond.


© Jazzenzo 2010