Artikel geprint vanaf Jazzenzo.nl

Charlie Haden verloste contrabas uit zijn begeleidende rol

NECROLOGIE
door: Rinus van der Heijden










Charlie Haden, een van de grondleggers van de free jazz.



Contrabassist Charlie Haden, die op 11 juli thuis in Los Angeles overleed, is de verpersoonlijking van waar jazz voor staat: een openheid naar alle muziekvormen toe, het opheffen van grenzen, het muzikaal-kritisch vertolken van hoe de maatschappij zich ontwikkelt en het aanhangen van vrijheid, in welke gedaante dan ook. Haden had het allemaal in zich, hij beleed het waar en wanneer hij daar de kans voor kreeg. Die kans was er overigens altijd, want deze uitzonderlijke jazzmusicus greep hem zonder dralen. Er was niemand die zijn intellectuele en muzikale ideeënrijkdom kon dwarsbomen.

Charlie Haden neemt een unieke plaats in binnen de jazzhistorie. Hij bevrijdde de contrabas definitief uit zijn rol van begeleider en plaatste er een melodie-instrument tegenover. Zijn opvattingen over de plaats van de contrabas binnen de jazz, heeft na zijn entree in deze muziekstijl in de late jaren vijftig van de vorige eeuw, talloze andere grote bassisten beïnvloed. Ray Brown en Dave Holland zijn er slechts twee van. 

Solistencarrière
Zijn uitwerking van die nieuwe plek voor de contrabas heeft ertoe geleid dat je bij Charlie Haden gerust kunt spreken van een solistencarrière. Tamelijk uniek voor een jazzmusicus die een – tot dan toe - begeleidingsinstrument bespeelt. Natuurlijk heeft Haden zijn plek als begeleider ook gekend, met name aan het begin van zijn carrière toen hij met altsaxofonist Ornette Coleman aan de wieg stond van de free jazz. Op grammofoonplaten uit die vroege periode, zoals ‘Change Of The Century’ en ‘The Shape Of Jazz To Come’ is echter onder de ruwe huid het melodische aspect in Haden’s begeleiding al waar te nemen.











Ornette Coleman Quartet met Don Cherry, Charlie Haden en Ed Blackwell. Foto © Lee Friedlander.


De grootste bekendheid verwierf de contrabassist nadat hij in 1969 het Liberation Music Orchestra oprichtte, samen met pianiste/componiste Carla Bley, met wie hij tot het einde van zijn leven een muzikale vriendschap onderhield. Het Liberation Music Orchestra wierp een bom op een periode, die toch al bol stond van opstand, verzet en rebellie. De oorlog in Vietnam woedde in alle hevigheid, hippies beheersten Amerika en de popmuziek kende haar grootste stroomversnelling aller tijden met uitvoerders als Jimi Hendrix, The Doors, Jefferson Airplane en Grateful Dead. Het was flower power al wat de klok sloeg, maar niet voor het Liberation Music Orchestra, dat zich met hand en tand en op straffe wijze tegen de ontwikkelingen in de wereld verzette.

Want Charlie Haden beperkte zich niet tot de oorlog in Vietnam, de Cubacrisis en de burgerrechtenbeweging in eigen land. Hij nam stelling tegen de politieke ontwikkelingen in Zuid-Amerika en Portugal, nadien in Afrika en ook de Spaanse Burgeroorlog uit de jaren dertig was een doorn in zijn politieke en muzikale oog. Met aan zijn zijde Carla Bley en toonaangevende musici uit die tijd, onder wie cornettist Don Cherry, de saxofonisten Gato Barbieri en Dewey Redman, trompettist Mike Mantler, trombonist Roswell Rudd en de slagwerkers Paul Motian en Andrew Cyrille gaf hij zijn politieke en pacifistische overtuiging vorm: ‘Onze muziek dragen wij op aan een betere wereld; een wereld zonder oorlogen en hun gesneuvelden, zonder racisme, zonder armoede en uitbuiting, een wereld waar vertegenwoordigers van alle regeringen zich bewust worden van het ultieme belang te streven naar bescherming in plaats van vernietiging. Wij hopen dat we een nieuwe gemeenschap van verlichting en wijsheid mogen begroeten, waar creativiteit de overheersende kracht wordt in eenieders leven’. 











Charlie Haden met Carla Bley.
Foto © Thomas Dorn.


Revoluties

Zoals Charlie Haden streed voor bevrijdende revoluties, zo klonk ook zijn muziek. Het eerste album van het Liberation Music Orchestra bevatte strijdliederen zoals ‘The Fifth Regiment’, ‘The Four Generals’ en ‘Long Live The Fifteenth Brigade’, maar ook ‘Song Of The United Front’, dat dertig jaar eerder werd gecreëerd door Hans Eisler en Bertold Brecht. Charlie Haden introduceerde op deze plaat eveneens ‘Song For Che’, uiteraard een eerbetoon aan de vrijheidsstrijder Ernesto ‘Che’ Guevara. Tijdens een jazzfestival in 1971 in Portugal vertolkte hij het lied, waarna de Portugese geheime dienst hem arresteerde. Vier uur later echter werd hij alweer vrijgelaten, na bemoeienis van de Amerikaanse ambassadeur in Portugal. 

Hoewel het Liberation Music Orchesta nooit werd opgeheven, kende het wedergeboortes in 1983, 1990, 2005 en 2011. Charlie Haden zette het ook in als muzikaal vehikel na de aanslag op de Twin Towers in 2001 in New York. Hij bracht samen met Carla Bley het vierde LMO-album ‘Not In Our Name’ uit, een schrijnende aanklacht tegen de gewelddadige politieke ontwikkelingen in Amerika èn de wereld. De cd bevat composities van onder andere Antonin Dvorák, Samuel Barber, Bill Frisell, Ornette Coleman, David Bowie en Pat Metheny. 

Charlie Haden was echter niet alleen een vrijheidsstrijder in zijn opvattingen én muziek. Afkomstig uit een muzikaal gezin, dat met vader en moeder en broers en zus countrymuziek bracht op podia én de nationale radio, beheerste hij al jong de volksmuziek van het Amerikaanse platteland. En die afkomst bleef trekken. Zoals op het Verve-album ‘Steal Away’, waarop de contrabassist duetten speelt met pianist Hank Jones. Het kreeg als ondertitel mee ‘Spirituals, hymns and folksongs’ en dat zegt alles. De plaat bevat simpelweg de muziek van voormalige Afrikaanse slaven. De uitvoering Haden/Jones  tekent de overgang van de slaven die Afrikanen waren toen ze Amerikaanse grond betraden, tót zij zich konden vestigen als wat nu wordt genoemd Afro-Amerikanen. 












Charlie Haden met Joe Lovano en Ornette Coleman in 2005.



Free jazz

Charlie Haden stond aan de wieg van de free jazz, maar om hem wegbereider te noemen  gaat wat ver. Die eer is eerder weggelegd voor grondvesters als John Coltrane, Albert Ayler, Archie Shepp en natuurlijk Ornette Coleman, met wie Haden van 1959 tot 1962 baanbrekende muziek maakte. Van Coleman leerde Charlie Haden buiten de akkoorden spelen, maar daar kwam hij jaren later pas achter. “Ik heb dat altijd gedaan, al voordat Ornette mij dat vertelde”, verklaarde hij. 

Van 1967 tot 1976 speelde hij met Dewey Redman en Paul Motian in het roemruchte American Quartet van pianist  Keith Jarrett, halverwege de jaren zeventig ging hij deel uitmaken van Old and New Dreams, waarvan de bandleden vrijwel allemaal afkomstig waren uit de stal van Ornette Coleman.

In 1987 onthulde Charlie Haden na het Liberation Music Orchestra een nieuwe mijlpaal in zijn muzikale carrière: het Charlie Haden Quartet West. Tenorsaxofonist Ernie Watts en slagwerker Billy Higgins vormden de basis, aangevuld met pianist Alan Broadbent. De detectiveverhalen van de Amerikaanse auteur Raymond Chandler waren een belangrijke inspiratiebron, maar de verrassing zat vooral in de wijze waarop Haden dit alles samen bond: romantische en barok uitgevoerde melodielijnen werden neergelegd op de duistere sensibiliteit van filmmuziek uit de jaren dertig en veertig, voorloper van de film noir van een decennium later. 











Een jonge Charlie Haden gefotografeerd door jazzfotograaf Francis Wolff.


Toen Ornette Coleman in 1986 een samenwerkingsverband aanging met gitarist Pat Metheny was dat voor Charlie Haden aanleiding om nadien ook met hem de podia te betreden. Want Haden was niet voor een gat te vangen. Zijn zoektochten naar telkens nieuwe partnerschappen leverden ontelbare namen en evenzovele onverwachte samenstellingen op. Die met Geri Allen, Ray Anderson en Alice Coltrane liggen tamelijk voor de hand, die met Yoko Ono, Rickie Lee Jones en Ringo Starr bedenk je niet op zomaar een namiddag. 

Zeggingskracht
Charlie Haden heeft de contrabas een lyrische en directe zeggingskracht meegegeven. De man die op 15-jarige leeftijd werd getroffen door polio, moest zijn zangcarrière opgeven, omdat de ziekte zijn stembanden had getroffen. Maar de stemkunst die hij tot dan beoefende, klonk door in alles wat hij daarna op contrabas verrichtte. Hij bouwde verder op de pioniersmentaliteit van een van zijn voorgangers, Oscar Pettiford. Deze plaatste de harmonie in een nieuw kader, maar grondvestte die in de melodie. Toen Pettiford tijdens een honkbalwedstrijd een arm brak en het genezingsproces te lang duurde naar zijn zin, nam hij de cello ter hand. Op dit instrument boetseerde hij melodie en harmonie, experimenteerde met akkoorden en de overgangen van ritmes en tempi. Waarna hij al die opgedane ervaringen ‘overzette’ op de contrabas. 











Charlie Haden en Joshua Redman.
Foto © Eddy Westveer.


Toen de schrijver van dit artikel tijdens een van de afleveringen van het North Sea Jazz Festival in Den Haag eens in gesprek raakte met Charlie Haden en hem confronteerde met de vergelijking die er naar zijn mening is tussen hem en Pettiford, keek hij verstoord op. “Vergelijk toch niet, man. Het dient nergens voor.” Misschien dacht Haden dat hij – onterecht natuurlijk – werd gezien als een Pettiford-adept.  Dat was echter niet de bedoeling van de vragensteller. Het op één lijn plaatsen van Pettiford-Haden is even onafwendbaar als dat van Lester Young-Coleman Hawkins. 

En even onvermijdelijk is de manier waarop Oscar Pettiford en Charlie Haden deze wereld hebben verlaten. De eerste stierf op 8 september 1960 in Kopenhagen aan een virus dat verwant is aan polio (kinderverlamming). Haden afgelopen vrijdag aan het zeldzaam voorkomende postpoliosyndroom, een aandoening die vele jaren nadat polio is geconstateerd, de kop opsteekt. 

Goed dat Charlie Haden van déze vergelijking geen kennis meer kan nemen.



 



Charlie Haden Quartet West - First Song



Charlie Haden & Carla Bley met Liberation Music Orchestra



Keith Jarrett Trio 
met Charlie Haden en Paul Motion (Hamburg 1972)


© Jazzenzo 2010