Artikel geprint vanaf Jazzenzo.nl

Op zoek naar nieuwe helden op North Sea Jazz

CONCERTRECENSIE. North Sea Jazz 2012. Ahoy Rotterdam, 6 en 7 juli 2012
beeld: Eddy Westveer, Ron Beenen 
door: Mischa Andriessen

Dat het North Sea Jazz Festival beduidend minder dan vroeger op grote namen kan steunen, is al enige jaren duidelijk. Zeker bij de traditionelere jazz zijn veel-publiek-trekkende acts dun gezaaid. Jazz is de afgelopen periode vooral in de breedte gegroeid, wat veel boeiende muziek maar nog weinig wereldsterren heeft opgeleverd.


Oudgediende Ahmad Jamal, Gregory Porter en Christian Scott tijdens de 37e editie van het driedaagse North Sea Jazz Festival.

Dat is een kwestie van tijd en het gaat razendsnel, kijk naar iemand als Christian Scott die vijf jaar terug als jong jochie vol branie en blingbling aan het North Seapubliek werd voorgesteld en nu iemand is die de grenzen van de jazz stevig oprekt en er nog een boodschap bij heeft ook.  En natuurlijk had een paar jaar terug niemand van nieuwe publiekslievelingen als Esperanza Spalding en Gregory Porter gehoord.

Door deze ontwikkelingen is het aanbod op North Sea gevarieerder geworden en door de bank genomen ook sterker, maar wel met minder sterren en met minder uitschieters. De gang van het publiek is daardoor moeilijker te voorspellen. Op onverwachte momenten en plaatsen zit een zaal ineens vol, terwijl andere soms opmerkelijk leeg blijven. Dat is ten dele een gevolg van het naar elkaar toe groeien van sommige sinds jaar en dag op North Sea vertegenwoordigde genres. Het programma ‘New Urban Jazz’ is daar een mooi voorbeeld van, de vocalisten Gregory Porter, Gretchen Parlato en José James en toetsenist Robert Glasper zijn zowel toegankelijk voor liefhebbers van soul en R & B als voor jazzfans.

De meest verrassende act was in dezelfde serie geprogrammeerd; het Proverb Trio van de Cubaanse drummer  Dafnis Prieto. Samen met toetsenist Jason Lindner en zanger Kokayi zette Prieto een geïnspireerde set neer, waarin de spanningsboog niet voortdurend kan worden vastgehouden, maar die enerverende momenten kende en in veel opzichten verbluffend was.

Dat Prieto met uiteenlopende musici als Eddie Palmieri en Henry Threadgill werkte, maakt wel duidelijk hoe veelzijdig deze virtuoze drummer is. Met het Proverb Trio is hij de bewonderenswaardige uitdaging aangegaan om de opzwepende grooves van dancemuziek te combineren met vrije improvisatie.

Prieto maakte bij aanvang van het concert duidelijk dat hij en zijn kompanen geen idee hadden wat er zou komen en die uitspraak berustte op waarheid. De onlangs verschenen cd klinkt bijvoorbeeld heel anders dan wat live werd gespeeld. Voor zanger Kokayi, die zingt, scat en rapt, is het improviseren helemaal een opgave, want waar haal je zo snel een tekst vandaan? Dat sommige teksten -  als ze al te verstaan zijn - wat flauw klinken, staat in geen verhouding tot het effect wat ervan uitgaat. Juist in die grote man die ter plaatse naar woorden en melodieën zoekt, komt de essentie van het Proverb Trio naar voren – het kan elk moment misgaan, heel spannend.

Zoeken
De afgelopen jaren stond Lee Konitz veelvuldig op het programma. Eén keer kwam hij in de immense hitte niet helemaal uit de verf, een andere keer moest hij om gezondheidsredenen afzeggen. Vorig jaar kwam het nieuws dat hij was getroffen door een infarct, maar goddank was Konitz er dit jaar weer, in ogenschijnlijk goede gezondheid bij. Hij speelde een duo met drummer Joey Baron, veel jonger dan Konitz, maar niettemin eveneens een fenomeen. In de breekbare kunstvorm van het duet telt status echter niet, er moet de wil zijn werkelijk samen te spelen en te ontdekken hoe de ander in elkaar zit. Zoeken is het toverwoord.

Baron had er duidelijk zin in en Konitz is en blijft het toonbeeld van een musicus die vooral ook luistert. Tot een echte versmelting van muzikale identiteiten kwam het echter niet. Het spel van ieder voor zich was een lust voor het oor. Wel maakte het geheel een terloopse indruk, maar met twee musici die over een surplus aan techniek en inzicht beschikken, klinkt terloops nog steeds heel aangenaam.

De kleine zolderzaal Volga was zoals gebruikelijk het domein van de moeilijker en niet alledaagse muziek.  Op vrijdag werden er bands uit de stal van het Portugese label Clean Feed gepresenteerd. Een daarvan was het kwintet van pianiste Angelica Sanchez met daarin een prominente rol voor haar echtgenoot saxofonist Tony Malaby. Met Tom Rainey op drums, Drew Gress op bas en Marc Ducret op gitaar, had Sanchez een stel topimprovisatoren meegebracht, die Sanchez’ oorspronkelijke en knappe composities de passende vertolking konden geven.


Dafnis Prieto Proverb Trio. Angelica Sanchez Quintet. John Scofield trad op met zijn nieuwe Hollowbody Band.

Het bijzondere van Sanchez’ tastende muziek is dat die enerzijds in zichzelf teruggetrokken klinkt en anderzijds bol staat van hevige emoties. Met Malaby’s warme, rafelige sound en Ducrets ruige onaangepastheid komen die emoties als krachtige erupties naar buiten, waarna ze weer wegsterven en de muziek weer zijn dromerige, introverte voorkomen terug krijgt.

Dwalen
Leek het minder druk dan andere jaren; ineens waren er toch weer de bekende files en opstoppingen en verscheen de beruchte mededeling op het beeldscherm dat er zalen vol zaten. Dat bleek overigens lang niet altijd waar, dus wellicht was het een poging van de organisatie om het publiek beter te verspreiden. De Darling waar Gregory Porter optrad, zat echter wel echt stampvol, dus moest er een alternatief worden gezocht.

Het slotnummer van McCoy Tyner speelde de pianist solo en dat toonde aan dat de pianist nog zeer vitaal is. In de Congo stond het Hammondorgel de hele dag centraal. Sam Yahel speelde er met een energiek trio, aangevuurd door de vinnige drummer Gregory Hutchinson. Wie hem vaker gehoord heeft, merkt dat hij dikwijls terug grijpt op bewezen effecten, maar als hij speelt is er steevast beweging. 

Dwalend door Ahoy valt op hoe groot de verschillen tussen de gebrachte muziek kunnen zijn. Van geoliede, levendige maar ook voorspelbare orgeljazz van Yahel naar de veeleisende ontmoeting tussen pianist Simon Nabotov, trombonist Wolter Wierbos en de klarinettisten Oguz Büyükberber en Tobias Klein is nogal een stap bijvoorbeeld. Soms ook lijken de verschillen kleiner dan gedacht. De meesterlijke saxofonist James Carter heeft van zijn orgeltrio een spectaculaire, maar sterk op effectbejag koersende band gemaakt, de stap vandaar naar de schijnruige feestmuziek van Trombone Shorty is dan weer zo gezet. Even lekker, maar snel doorzien. 

In de Hudson staan traditioneel de grote jazznamen. De gitaristen John Scofield en Kurt Rosenwinkel gingen daar met hun Hollowbody Band een langdurig duel aan. Bassist Ben Street en drummer Bill Stewart zorgden voor de gewenste stuwende ondergrond, zodat Scofield en Rosenwinkel tot vreugde van hun fans volop hun gang konden gaan. Spelen als een tierelier natuurlijk, maar toch vooral drijvend op virtuositeit en weinig verrassend

Ook bij Joe Lovano en Dave Douglas was het spel van hoog niveau, waarbij alleen verrassend was dat de jongelingen Linda Oh op contrabas en Lawrence Fields op piano daar naadloos bij aansloten. Ook hier waren de gespeelde nummers meer een vehikel voor solistisch vuurwerk, dan dat ze als compositie op zich beklijfden.

Mary Halvorson lijkt daarvan het tegendeel te zijn. De gitariste speelde in de Volga in de groep van drummer Tom Rainey met verder nog de zich snel ontwikkelende saxofoniste Ingrid Laubrock. Er zit iets stunteligs in Halvorsons spel, waarbij het niet lijkt te gaan om hoe ze een noot speelt, maar welke noot ze zal kiezen. De muziek van het trio was als geheel soms wat te fragmentarisch, maar Halvorson, Laubrock en Rainey bereikten soms een grote intensiteit. Juist omdat het pad van de ene noot naar de volgende er een vol risico is. 

Een bericht in de krant: Rita Reys stopt met zingen. Een volgend bericht in de krant: Rita Reys stopt niet met zingen. Het laatste is waar, er kon al snel geen mens meer de Madeira in.

Het beste voor het laatst
Volgens de presentator stond Marty Ehrlich al in 1978 op North Sea Jazz, nu in 2012 dan voor het eerst als bandleider. En van wat voor band! Michael Sarin op drums kan niet genoeg geprezen worden. De eigengereide Hank Jones op cello is ongrijpbaar, maar kan de naad uit je kousen spelen, wat hij gelukkig ook deed. Trompettist James Zollar kan ook wel meer erkenning gebruiken, in deze toch niet misselijke band maakte hij het meeste indruk.


McCoy Tyner. Trombone Shorty & Orleans Avenue. Brian Blade & The Fellowshipband.

Dat Ehrlich zelf geen grote naam is bij een breed publiek blijft ook onverdiend. Intens spelend als altijd, met die indrukwekkende sound en innemende presentatie. Hij schrijft ook geweldige stukken, verrassend maar niet gezocht. Grensverleggend zonder een beeldenstormer te zijn. De bescheiden Ehrlich legt zich neer bij een plaats hoog op zolder, waar hij speelt voor een beperkt publiek. En eerlijk is eerlijk, daar komt hij ook het beste tot zijn recht. 

The Fellowshipband van drummer Brian Blade mocht het programma in de Hudson afsluiten. Niet de meest sfeervolle plek, maar Blades muziek is zo emotioneel geladen en bovendien spectaculair genoeg om dergelijk ongemak nietig te verklaren. Ook Blade speelt met muzikanten die hier niet al te bekend zijn, maar die toppresentaties leveren. Pianist Jon Cowherd bijvoorbeeld die het harmonisch geweten is van de groep, een onverstoorbaar rustpunt te midden van de uit de tenen blazende Myron Walden en Melvin Butler en de ontketende Blade zelf. De afstand tot het podium bleek nu voor het publiek gelukkig gekozen, want drumstokken spatten in het rond en het leek zelfs of een van Blade’s schoenen door de lucht vloog. Het verbluffende is dat al die intensiteit, al dat geweld organisch voortkomt uit de toch lieflijk klinkende melodieën. Groots optreden. Brian Blade is geen nieuwe held, maar een held is hij. 

Ahmad & Miles
Met Lee Konitz, Archie Shepp, Tony Bennet en Rita Reys behoorde Ahmad Jamal tot het selecte groepje nog steeds actieve, oude sterren dat op het festival was uitgenodigd. Jamal was de held van  Miles Davis, zo wordt er altijd bij gezegd, vanwege de grote rol die hij ruimte in zijn muziek gaf. Overigens is Jamal ook wel voor cocktailpianist uitgemaakt door een criticus die het blijkbaar allemaal te fijntjes vond wat Jamal deed. 

De Hudson zat bij aanvang al barstensvol, zodat de opkomst van de net tweeëntachtig jaar geworden pianist een echt North-Seamoment werd; een daverende huldeblijk, een eresaluut zoals dat helden nu eenmaal past. Een voorschot op een afscheid is het, hartverwarmend en ontroerend tegelijk.

Op Jamals laatste plaat ‘Blue Moon’ wisselt de pianist subtiel spel af met harde hoekige akkoorden, opmerkelijk percussief gespeeld ook. Het was dit materiaal waarmee hij ook in de Hudson aantrad, wetend dat hij dezelfde genadeloos swingende ritmesectie achter zich had staan. Percussionist Manolo Badrena legt de accenten en levert het extra spektakel, maar het zijn bassist Reginald Veal en drummer Herlin Riley die de ingehouden maar dwingende groove tot kunst hebben verheven.

De zaterdag was meer nog dan de andere dagen de dag van de pijnlijke keuzes. Christian Scott, Vijay Iyer en Wolfert Brederode op hetzelfde moment bijvoorbeeld. De jonge gitarist Miles Okazaki had geduchte concurrentie van James Farm, de sterrengroep met onder andere Joshua Redman en Aaron Parks, maar toch was de Madeira goed gevuld. Okazaki had zelf ook een sterbezetting aangerukt. Dan Weiss op drums, Francois Moutin op bas en Mark Turner op tenorsax.


Esperanza Spalding. Kapok. Pat Metheny, Antonio Sanchez, Chris Potter.

Op de Indiase platen van Dan Weiss viel Okazaki op doordat hij zeker een uur lang hetzelfde loopje kon spelen. Dergelijk minimalisme is in zijn eigen muziek minder prominent, maar al gauw werd duidelijk dat de jonge Amerikaan een heel eigen manier van componeren heeft, boordevol complexe ritmische en harmonische verschuivingen. En inderdaad knap gebruik makend van de kracht van repetitieve patronen.  Wel komt het soms wat klinisch over, te bedacht om rechtstreeks naar het hart te gaan. Maar het optreden werd met elk nummer beter en dat Okazaki een belofte is, is een understatement.

Grote zalen, kleine zalen
Twee jaar terug speelde Rudder in een uitpuilende tent ook al op North Sea. Dit jaar speelden de New Yorkers in de veel grotere Darling. Publiek was er genoeg, maar de freaky fusion van dit kwartet gedijt toch beter in een tent waar de zweetdruppels van het zeil rollen, dan tegenover een massa zittende mensen die meer luisteren dan ondergaan. De absurde basloopjes van Tim Lefebvre en de opzwepende grooves van drummer Keith Carlock blijven bij vlagen geniaal. De muziek als geheel wordt soms wel wat te spielerisch, maar dat euvel kan met de juiste ambiance volledig komen te vervallen. Nu bleef er toch een afstand bestaan tussen wat op het podium gebeurde en in de zaal werd beleefd. 

Meer dan anders was het voor de organisatie blijkbaar in te schatten op welke optredens het publiek zijn zinnen zette. Zalen als Volga en de inmiddels danig opgeknapte Yenisei waren een paar jaar terug nog toevluchtsoorden, waar altijd plaats was voor de avontuurlijken van geest. Nu zaten ze om de haverklap vol, terwijl het op andere plekken opmerkelijk leeg was. Het kan natuurlijk zijn dat Rufus Wainwright iets heel onaardigs tegen het publiek heeft gezegd, maar tegen het eind van zijn optreden was de immense Maas een goeddeels verlaten ruimte. 

Bij Esperanza Spalding was dat wel anders. Bij haar show onlangs in Paradiso was wel duidelijk dat de bassiste/zangeres uitgegroeid is tot een ster van het type dat graag groot denkt. Die show is als een revue in elkaar gedraaid, waarbij Spalding met ingestudeerde verhaaltjes de nummers met elkaar verbindt.

In de grote Maaszaal leek ze nog meer in haar element dan in Paradiso en ook als ze haar stem in het hoge register onaangenaam schel vindt en het theatrale in haar presentatie ook niet erg aanlokkelijk, dan nog moet je toegeven dat er een grote persoonlijkheid en een groot talent staat. Het geluid was matig, sommige musici beginnen meer plichtsbesef dan spelvreugde uit te stralen, maar er waren ook lichtpuntjes. Oude rot Bob Mover bijvoorbeeld  die er in Paradiso niet bij was en misschien daarom wel de lust en energie had voor een paar vinnige solo’s. 

Ook in de Volga was het druk. Het juryrapport van de Dutch Jazz Competition loog er niet om en dus wilden velen wel eens zien en horen wat de winnaars van Kapok in huis hadden.  Dat viel niet tegen. In de illustere rij Julius Watkins, Vincent Chancey en Tom Varner is Morris Kliphuis een nieuwe kandidaat om de hoorn tot een volwaardig jazzinstrument te maken. Zeker bij langere noten is de sound geweldig en dus een echte verrijking van de klankkleur en niet een of andere gimmick.


Rez Abbasi's Invocation. Rudder. George Benson.

Naast de bijzondere bezetting hoorn, gitaar, drums werkt de geestdrift van de jonge groep in hun voordeel. Een stuk als ‘Arcadia’ laat horen dat het drietal goede ideeën heeft, het maakt nieuwsgierig naar wat voor band Kapok zal uitgroeien. Er zit denkelijk genoeg eigenzinnigheid in. 

Tigran Hamasyan is ook jong en eigengereid. Twee jaar terug won hij meteen het hart van het publiek door in een nummer tijd zijn shirt drijfnat van het zweet te spelen. Dat was buiten in Congo. Nu zat hij in de serieuzere en koelere Madeira, maar over Tigran zoals hij zich is gaan noemen, hoeft niemand zich zorgen te maken. Zeer bevlogen verbindt de jonge pianist Armeense volksmuziek met jazz en heavy metal.

Dat lijken vreemde combinaties maar Tigran paart een overweldigende virtuositeit aan een innemende hartstocht. Zijn verbluffende muzikaliteit fungeert als vangnet voor zijn alle kanten op vliegende gedachten en emoties. Voor menigeen te veel van het goede waarschijnlijk, maar een zeer groot talent met een eigen verhaal en het vermogen om op de juiste manier onvoorspelbaar te zijn.

Samenbrengen
Het programma in de Darling stond het teken van de nieuwe fusion. Na Yuri Honings Wired Paradise en Rudder was het de beurt aan Rez Abbasi’s Invocation. Deze groep van de oorspronkelijk Pakistaanse gitarist Rez Abbasi wist met de laatste cd ‘Suno Suno’ elk denkbaar superlatief uit de pennen der critici te peuren en terecht. Een weergaloze mix van Pakistaanse/Indiase muziek met rock en jazz. De hals-over-koploopjes uit de fusion worden soms met een knipoog neergezet en gebruikt als contrast voor de indringend dreinende repetitieve patronen, waarvan de groep zich ook met liefde bedient.  

In vergelijking met de plaat viel het optreden iets tegen. Het geluid was matig met een storende brom bij de diepere bastonen en de vingers van Abbasi moesten nog even warm draaien. Met Vijay Iyer, Rudresh Mahanthappa, Johannes Weidenmueller en Dan Weiss in de gelederen stond daar echter een band van jewelste. Even virtuoos als fantasievol, zeer afwisselend en boorde-, boordevol. Een heel knappe prestatie om zoveel verschillende elementen samen te brengen en toch te laten klinken als organische muziek.

De dag van de moeilijke keuzes. Het was al gezegd. Altist Bart Wirtz zocht zijn heil in New York en kwam terug met een prachtplaat. Het optreden van Rez Abbasi slokte een groot deel van zijn optreden op. Bleef het afsluitende ‘Camels’ over, een geestig hobbelend nummer met een spannende melodielijn. Wirtz had de imposante trompettist Sean Jones aan zijn zij die met virtuoos blaaswerk in zijn solo de lat zichtbaar genietend heel hoog legde. Wirtz’ antwoord was fenomenaal. Een geweldig opgebouwde solo, zeer intens en technisch meesterlijk gespeeld. Jones en Wirtz maakten nog even lol met hun mondstuk om de laat aangeschoven luisteraar met een dubbel gevoel achter te laten. Mooi dit te hebben meegepikt, maar wat had hij in vredesnaam behalve een plensbui verder allemaal gemist?

Fenomeen
Twee jaar terug was Christian Scott de revelatie van het festival en zelfs in de wetenschap dat er nog een dag komt, is hij dat dit jaar weer. Die vaststelling is misschien voorspelbaar, Scott zelf is dat zeker niet. De groei die hij heeft doorgemaakt is ongelofelijk. Achtentwintig is hij pas, maar de meest serieuze kandidaat voor de troonopvolging van de gouden generaties. Hij is in alle opzichten his own man, heeft een stijl gevonden waarin  invloeden uit vele genres en stijlen doorklinken, maar die volstrekt natuurlijk klinkt. Hij heeft een verhaal en visie en hij heeft presence op het podium plus de diepe innerlijke motivatie om echt te communiceren. Hier gaat het niet over noten, niet over techniek, hij spreekt iemand, even intelligent als gevoelig, diep ondergedompeld in de traditie maar het vizier op de toekomst gericht. Grootse muziek gaat elke barrière over; dit is grootse muziek.

Meer North Sea Jazz 2012:


© Jazzenzo 2010