Artikel geprint vanaf Jazzenzo.nl

Veelbelovende start North Sea Jazz 2012

CONCERTRECENSIE. North Sea Jazz 2012, Ahoy Rotterdam, openingsavond 6 juli 2012
beeld: Eddy Westveer
door: Koen Graat

Energieke solo’s, bombastische klassieke zang, broeierige Arabische klanken en oude wijn in nieuwe zakken; de 2012-editie van North Sea Jazz is gisteren in Rotterdam van start gegaan en bood vanaf de eerste noot een fascinerend uitzicht over het weidse landschap van de jazz & impro. Uiteraard werden niet alle reputaties waargemaakt en stegen andere muzikanten juist boven zichzelf uit.


Bram Stadhouders met koor, Dhafer Youssef en James Carter sierden onder meer de openingsdag van North Sea Jazz 2012.

Zanger/oud-speler Dhafer Youssef kwam in de afgeladen Yenisei onder broeierige klimatologische omstandigheden letterlijk en figuurlijk met een knal binnen. De Tunesiër opende zijn concert met een oosterse zanglijn die alsmaar hoger en hoger ging. Met een enorme climax vielen de leden van zijn kwartet keihard in, greep Youssef naar zijn oud (Arabisch snaarinstrument) en ontspon zich een enerverend ritmisch steekspel waarbij oosterse en westerse invloeden om elkaar heen dansten.

Youssef werkte in het verleden samen met onder meer Arve Henriksen en Bugge Wesseltoft en omringt zich ook in zijn eigen kwartet met muzikanten uit de moderne jazztraditie. Rechte grooves in onregelmatige maatsoorten gaan samen met het oriëntgetinte toonmateriaal van de virtuoze oud-speler. In het kader van 400 jaar betrekkingen tussen Nederland en Turkije voegden ook nog klarinettist Hüsnü Senlendirici en Aytac Dagon op kanun (soort citer) zich bij het kwartet wat het Arabische element en de feestvreugde verhoogde.

Douglas & Lovano
Natuurlijk was het ook weer de beurt aan tal van grote namen uit de Amerikaanse jazz om acte de présence te geven in Rotterdam. Nieuwsgierig maakte vooral de nieuwe groep Sound Prints Quintet van trompettist Dave Douglas en saxofonist Joe Lovano. Beide blazers schreven het materiaal voor de groep waarvan ook Joey Baron (drums), Lawrence Fields (piano) en Linda Oh (contrabas) deel van uitmaken. Daar zat ‘m tevens de crux. Wanneer de band eenmaal onderweg was en het geheel om de solo’s draaide, zat het allemaal wel goed. Sterker nog, Baron, Lovano en Douglas behoren tot de absolute wereldtop. Maar niet alle nummers kwamen evengoed uit de verf en de thema’s leken soms een verplichte springplank naar de solo’s. Van grote namen als Douglas en Lovano mag iets extra’s worden verwacht, maar dat brachten ze niet. Wellicht gebeurt dat wel als de groep wat meer kilometers heeft gemaakt op het podium.

Joey Baron revancheerde zich met zijn bijdrage aan Sound Prints Quinet overigens wel voor een eerder duo-optreden dat hij gaf met Lee Konitz. Op papier een mooie combinatie van twee grote jazznamen, maar allereerst is de combinatie saxofoon en drums een lastige. Er blijft een knagend gevoel alsof iemand de overige instrumenten op de speaker heeft weggedraaid. Daarbij is Konitz (1927) inmiddels op leeftijd en – met respect gezegd – niet meer de improvisator van voorheen. De altist blies zich door een aantal standards heen, maar deed dat tamelijk futloos waardoor het ook Baron niet lukte om enige zweem van opwinding te creëren.

Portugees label
Hoog in de nokken van Ahoy ligt de Volga, de kleinste van alle zalen en de plaats waar de liefhebbers van de vrijere impro hun hart op kunnen halen. Op de openingsdag was er een programma rondom het Portugese platenlabel Clean Feed Records dat veel Amerikaanse avant-gardisten onder contract heeft. Het optreden van drummer Tom Rainey met tenorsaxofoniste Ingrid Laubrock en de spectaculaire gitariste Mary Halvorson denderde voort op een golf van energie.


Robert Glasper Experiment. Tom Rainey Trio. Tuur Moens & Syndicate.

Het stond in zekere zin haaks op het fascinerende solo-optreden van Kris Davis, een in New York wonende Amerikaanse pianiste bij wie de barrière tussen hedendaags gecomponeerde en geïmproviseerde muziek definitief geslecht is. Contemporaine klanken van een componist als Gyorgy Ligeti, improvisaties à la Cecil Taylor, maar ook minimale patronen in de lijn van pianist/componist Frederic Rzewski zorgden voor een uiterst gevarieerd en fantasierijk pianoconcert. Donderende wolbreuken in de bassen werden afgewisseld met voorzichtig geplaatste precisienoten.

Experiment
Met veel bombarie werd de komst van Robert Glasper Experiment aangekondigd. De Amerikaanse pianist doet er zelf ook graag een schepje bovenop en liet zich met een knipoog aankondigen als ‘king of the world’, leek bij vlagen wel een stand-up comedian en is naar eigen zeggen de vernieuwer waar de (Amerikaanse) jazz op zat te wachten. Goed voor de publiciteit allemaal, maar hoe goed is Robert Glasper nou eigenlijk? Als pianist valt er weinig op hem af te dingen: ritmisch sterk, energiek en veelzijdig. Zijn ‘vernieuwende’ Experiment is daarentegen een heel ander verhaal. Het begin van het optreden was exemplarisch voor het vervolg. Coltrane’s ‘A Love Supreme’ was omgebouwd tot een groove, daaroverheen werd een elektronisch sausje gegoten dat op zichzelf best vet en spannend klonk en vervolgens werd er minutenlang over die ene vamp gesoleerd. Hetzelfde trucje werd telkens herhaald, afgewisseld met slappe popliedjes waarbij Casey Benjamin (saxofoon, vocoder, vocalen) bij wijze van experiment zijn zang vervormde zoals Peter Frampton dat al jaren doet. Glasper is geen pleaser en hij en zijn medemuzikanten zoeken zo nu en dan best de rafelige randen op, maar zijn muzikale ideeën zijn flinterdun. Het ging er gisteravond vooral om hoe het allemaal klonk en niet zozeer om wat er werd gespeeld. De middelen leken belangrijker dan het doel.

Prachtige tegenstellingen
Aan het begin van de avond had een ander concert al wel voor de nodige opwinding gezorgd. De presentatie van de compositieopdracht, waarin een jazzmuzikant/componist carte blanche krijgt, was de laatste jaren niet altijd even sterk. Deze editie werd de opdracht gegund aan de jonge Tilburgse gitarist Bram Stadhouders (25) die het zichzelf niet makkelijk maakte met zijn compositie voor gitaar, slagwerk, elektronica en acht klassieke zangers van het Nederlands Kamerkoor. Bij een dergelijke ‘gezochte’ combinatie is het risico levensgroot dat het klassieke gedeelte aan de ene kant en het elektronische, geïmproviseerde gedeelte aan de andere kant als twee lagen op elkaar worden geplakt, maar uiteindelijk niet als een organisch geheel in elkaar vloeien.

Bij Stadhouders was dat nooit het geval. De acht stemmen die hij tot zijn beschikking had, vormden een natuurlijke soundscape. De klankvelden die ontstonden, van composities in de traditionele zin van het woord was niet echt sprake, herbergden prachtige tegenstellingen. De muziek klonk tegelijk klassiek en modern, bombastisch en intiem. Het grote en het kleine gebaar gingen hand in hand. Stadhouders heeft een grote voorliefde voor de uitgestrekte en ingetogen Scandinavische klanken. Bij de heftige uitbarstingen van de vocalisten was het alsof de woeste Noorse goden hun vocale toorn op de muziek lieten neerkomen.

De compositorische kwaliteiten van de gitarist waren vooral goed te horen bij een compositie die de acht vocalisten a capella uitvoerden. In de langgerekte melodieën en ritmische frasering was te horen hoe Stadhouders zijn gitaarlijnen had verplaatst naar de monden van de zangers. Telkens als een klankveld voorspelbaar dreigde te worden, nam de muziek een al dan niet subtiele wending waardoor je als luisteraar direct weer bij de oren werd gegrepen. Mooi dat de ruimte er is om talenten op die manier boven zichzelf uit te laten stijgen.

Zie ook:


© Jazzenzo 2010