Artikel geprint vanaf Jazzenzo.nl

Het nieuwe rauwe imago van Norah Jones is onbevlekt

CONCERTRECENSIE. Norah Jones, Carré Amsterdam, 28 mei 2012
beeld: Ron Beenen
door: Tim Sprangers

Vanaf nu spreken we niet meer over Norah Jones als het over jazzzangeressen gaat. Het concert in Carré was de druppel. Elementen als improvisatie en swing: ooit in de verte aanwezig, maar nu verdwenen. Ze speelde alle nummers van haar laatste plaat ‘… Little Broken Hearts’, waarin Jones haar wilde haren toont. Denk aan gruizige gitaarriffs, vuige synthesizerkleuringen, een orgeltje en sombere vocalen. Andere discussie: is het dan slecht wat ze nu doet? In elk geval behoorlijk suf.


Norah Jones en haar band in het hoofdstedelijke Carré.

De cd is, met een neutrale blik, helemaal zo verkeerd nog niet. Een hoop aanstekelijke popliedjes over haar liefdesverdriet, met aandoenlijke, melancholische ondertoon. Ingekleurd door producer Danger Mouse, onder andere betrokken bij het grote succesalbum ‘El Camino’ van rockduo The Black Keys. Het sfeertje wat hij neerzet klinkt prettig. In korte nummers, de vier minuten worden zelden gehaald, telkens wat kale elektrische gitaarakkoorden, droge ritmes en een stiekem pianomotiefje, dit alles om de tranen op te wekken. In zo’n weemoedig, zwaar bed van een poprockidioom lijkt de stem van Jones plotseling op collega-zangeressen en -bands met eenzelfde typisch warm zeurderig timbre als Feist, Nouvelle Vague en Aimee Mann.

Ok, mooie insteek, de stem van Jones is sterk en kan zo’n bandgeluid dragen. Maar dan moeten de conceptliedjes op het album, live wel worden aangepakt. Met beide handen. Daar kwam helemaal niets van terecht in Carré. De uitvoeringen spiegelden zich één op één aan de plaat. Letterlijk, niets mee gedaan, basta. Natuurlijk betrof het een albumpresentatie waarmee ze recht wilde doen aan haar laatste product, maar je komt toch ook naar een concertzaal om muziek te horen ontstaan. Enige vorm van spontaniteit, vreugde, plezier, verdriet of welke emotie dan ook te voelen. Jones speelde een automatische tape af. Hoewel haar teksten veel omhelzen, waren ze ontbeend van elke sensatie.

De regiefactor was groot. Naast de band (vijf man) liepen er vier, vijf roadies rond die na elk nummer de muzikanten andere instrumenten aanreikten. Rust, bezinning en ruimte om zich in de muziek te storten was er voor de muzikanten niet. De spanning zou nog kunnen liggen in de dominante rol van de gitaren (soms zelfs drie) in combinatie met Jones’ schattige overkomen, maar de softe uitvoering maakte het contrast eigenlijk alleen maar aandoenlijk. Haar nieuwe rauwe imago is onbevlekt. 

Enkele lichtpuntjes richting het einde tijdens de nummers ‘Black’ (van het fraaie Danger Mouse album ‘Rome’), koddige ‘Sinkin’ Soon’ en het uiteraard vertolkte ‘Don’t Know Why’. Bij het laatste joelde en klapte het publiek. Het verleidde Jones om heel even uit haar cocon te treden. Ze zong vrijer, speelde met het ritme en toonde eindelijk iets van zichzelf.


© Jazzenzo 2010