Artikel geprint vanaf Jazzenzo.nl

Met een reisje naar Chicago komt het toch nog goed

CONCERTRECENSIE. Ray Anderson’s Pocket Brass Band. Paradox Tilburg, 28 maart 2012
beeld: Stef Mennens
door: Rinus van der Heijden

Een muzikale rondgang door Chicago, de geboortestad van Ray Anderson. Dat werd de tweede set van het concert dat de trombonist met zijn Pocket Brass Band gaf in Paradox. Het leverde een rijke luisterervaring op en maakte bovendien, dat de eerste set waarin het kwartet niet op gang leek te kunnen komen, snel was vergeten.


Lew Soloff, Ray Anderson en Matt Perrine speelden onder meer de zesdelige ‘Sweet Chicago Suite’ in Paradox.

Ray Anderson werd in 1952 geboren in Chicago, groeide er op en  verhuisde begin jaren zeventig naar de westkust van Amerika en vervolgens naar New York. De indrukken die hij als 14-, 15-jarige opdeed in Chicago, verwerkte hij in de zesdelige suite ‘Sweet Chicago Suite’ uit 2001. De suite is kortgeleden op cd opgenomen en maakt onderdeel uit van de tournee waarmee de Pocket Brass Band momenteel door Europa toert.

Maxwell Street, de Southside Church en de Association for the Advancement of Creative Musicians (AACM) zijn enkele van de reminiscenties die nu in muziek zijn gebeiteld. Elk stuk van de suite is zo’n herinnering: die aan AACM met zijn belangrijkste exponent, het Art Ensemble of Chicago, leek Ray Anderson en zijn kompanen op het lijf geschreven. Met slechts het mondstuk van zijn trompet, gestoken in een koffiekop van Paradox, zette trompettist Lew Soloff de toon voor een inventief stuk vrije improvisatie, waarbij het Art Ensemble en Sun Ra met elkaar om voorrang leken te strijden.

De zes delen van de suite verschillen onderling evenzeer als de plekken die Ray Anderson ervoor had uitgezocht. De suite werd zodoende een schouwtoneel van wat Anderson zelf, Lew Soloff, sousafonist Matt Perrine en slagwerker Eric McPherson allemaal in huis hadden. McPherson verving Bobby Previte, een kanon dat op de cd meespeelt. Hij deed dat op adequate wijze; zijn benadering van het slagwerk leek op dat van musici die in een kamerorkest huizen. Kleine motieven, strak gespeeld, ritselend en vooral effectief kenmerkten McPhersons aanpak. In een solo liet de slagwerker het regenen in Chicago, maar ook verbeeldde hij indringend de kringloop van dag en nacht.


Eric McPherson, Ray Anderson en Matt Perrine in Paradox.

Lew Soloff en Ray Anderson zijn twee giganten, die elkaar voortdurend uitdagen en prikkelen. Ze maakten veelvuldig gebruik van circulaire ademhaling, waarmee krachtpatserij om de hoek kwam kijken, maar tevens hoogwaardig vakmanschap. Blues was het belangrijkste bestanddeel van hun spel, waarbij met name Ray Anderson tot uitentreuren liet horen hoe onorthodox hij de trombone bespeelt en hoe hij na vele, vele jaren nog altijd onderzoeker is van klankkleur en extreme mogelijkheden. En Lew Soloff, 68 jaar inmiddels en fysiek die leeftijd ook echt vertegenwoordigend, betoonde zich meermalen een ‘highblower’. In de zuivere hoogten die hij daarmee betrad, bereikte hij de staat van  onversneden cocaïne.

In de eerste set van het concert betrad de Pocket Brass Band het grondgebied van New Orleans. Met een bezetting van trompet, trombone en sousafoon kun je prachtige koperklanken tevoorschijn toveren, maar daar ontbrak het nogal eens aan. Het eerste stuk, ‘Alligotary Rhumba’ deed nog enigszins denken aan de eerste marching bands van New Orleans, maar in de tweede compositie, ‘Lips Apart’ ging het echt mis. Eerst was Lew Soloff zijn bladmuziek kwijt, daarna klaagde hij over de warmte van een op hem gericht spotlight. Of het daardoor kwam dat Anderson en Soloff zich verloren in gefriemel en gepriegel valt niet te bewijzen, maar beiden verkeerden ver beneden hun niveau.

Pas in ‘I Mean You’ van Thelonious Monk kwamen trombone en trompet op gang, baste Matt Perrine er lustig op los en had ook Eric McPherson zijn veiligheidsgordel losgemaakt. Het bleek de prelude voor de tweede set, waarin alles toch nog goed kwam.


© Jazzenzo 2010