Artikel geprint vanaf Jazzenzo.nl

Sonny Rollins roept wisselende gevoelens op

CONCERTRECENSIE. Sonny Rollins, Muziekgebouw Frits Philips Eindhoven, 25 oktober 2011.
beeld: Ron Beenen
door: Rinus van der Heijden

Hoevelen zullen deze avond naar Eindhoven zijn getogen met in het achterhoofd de gedachte dat dit bezoek van Sonny Rollins wel eens het laatste kan zijn dat zij kunnen bijwonen? En hoevelen zullen dit eerder al hebben gedacht, want de Amerikaanse tenorreus is een regelmatige gast op Nederlandse podia. Of het Eindhovense concert de zwanenzang zal zijn van Rollins valt natuurlijk niet te voorspellen, wel dat het een optreden werd dat wisselende gevoelens opriep.


Een nog altijd overtuigende Sonny Rollins in Muziekgebouw Frits Philips in Eindhoven.

Sonny Rollins kwam, zag en overwon niet. De 81-jarige jazzmusicus mag dan bij leven al wel een legende zijn, zijn concert in Eindhoven wordt zeker niet onderscheiden met het lintje ‘memorabel’. Het ontbeerde de spanning die Sonny Rollins in een carrière van ruim zestig jaar zijn ongelooflijke status heeft meegegeven. Waarbij inderhaast moet worden opgetekend, dat je van een bejaarde musicus, zelfs van zijn statuur, niet meer kunt verwachten dan wat hij in Muziekgebouw Frits Philips neerzette.

Wat wel overkwam was het ongelooflijke vakmanschap van de Amerikaan, zijn onblusbare energie en de fantasie om het aanwezige publiek toch het hoofd op hol te brengen. Rollins leek zich bekeerd te hebben tot de jaren vijftig van de vorige eeuw, toen zijn ster rijzende was en hij zich onderscheidde van iedere toen concurrerende tenorsaxofonist. Die toon, zo zeldzaam en wonderschoon, is er nog altijd. Zijn ruimtelijke geluid, een beetje hees, dat zich lui uitrekt over alle registers van zijn instrument, benutte hij ook deze avond en hij kreeg er het Muziekgebouw helemaal plat mee.

Sonny Rollins opende zijn concert met een nieuw stuk: ‘B & K’. Die entree was overweldigend. In up-tempo ging de saxofonist over tot eindeloze, korte herhalingen van het thema om daartussenin nooit aflatende improvisaties te weven. Zijn volledig de akoestiek beheersende geluid werd verend opgevangen door de ritmesectie, die bestond uit congaspeler Sammy Figueroa, contrabassist Bob Crashaw en slagwerker Kobie Watkins. Gitarist Peter Bernstein vulde de rol in van een afwezige piano en dat hield in, dat hij de enige was die naast Sonny Rollins mocht soleren. Al was het maar twee keer. Maar dat was heel wat meer dan wat de rest voor vrijheid kreeg: als zij de snelweg wilden betreden, was het Rollins die om hun initiatieven heen cirkelde en wederom alle aandacht naar zich trok.

Strenge instructies
Het was duidelijk dat Sonny Rollins zijn medemusici strenge instructies had gegeven: het gaat hier uitsluitend om mij, niet om jullie. Daardoor was het begeleidingsspel futloos, maar wel uiterst efficiënt om Rollins’ verrichtingen verder in te bedden.


Sonny Rollins met band waaronder gitarist Peter Bernstein.

Het tweede stuk van de avond was ‘D. Cherry’. Een onmiskenbare verwijzing naar trompettist Don Cherry, die in Rollins’ gloriejaren eveneens grote invloed had op de ontwikkeling van de Afro-Amerikaanse jazz. In medium-tempo trad gitarist Bernstein even op de voorgrond, maar zijn inspanningen werden steeds ‘versierd’ door de tenorsaxofoon. Met de klassieke ballade ‘My One And Only Love’ begon het optreden in te zakken. Sonny Rollins leek in een academische lesgeefwinkel terecht te zijn gekomen, waarin hij – ook in de daarop volgende compositie ‘Patanjali’ – de muziek eindeloos uiteen trok door met piepkleine improvisaties, even eindeloos te variëren.

En toen diende ‘Nice Lady’ zich aan. Je zag het aan het geschuif op de stoelen en het in beweging komende publiek: eindeloos een calypso. Hoewel er van deze latijnse dansvariant al flarden voorbij waren gekomen – het is immers een van Rollins’ handelsmerken - danste de tenorsaxofonist op de van hem bekende wijze langs de op drift geraakte conga’s en slagwerk, hetgeen uitdraaide op een lang verwacht robbertje muzikaal vechten.

In bijna anderhalf uur – zonder pauze – kwamen zeven stukken voorbij. Het laatste was ‘They Say That (Falling In Love) It’s Wonderful’ en toen was het sprookje uit. De alsmaar strammer wordende en danig vergroeide tenorlegende schuifelde naar de coulissen, bracht met de linkerhand de Black Panthergroet, wierp een kushandje, roffelde zich kortstondig op de hartstreek en verdween. Geen ‘Don’t Stop The Carnival’ meer. Nog slechts twee saxofoonriedeltjes uit de coulissen en daarmee moest iedereen het doen.

Niet erg. Sonny Rollins is nog altijd overtuigend en het levende bewijs dat hij de nog enig levende jazzmusicus is die een verleden vertegenwoordigt, dat nooit meer geëvenaard kan worden. Laat hem volgend jaar maar weer naar Europa afzakken.


© Jazzenzo 2010