Artikel geprint vanaf Jazzenzo.nl

Veel overtuigende kleine namen op eerste hete dag North Sea

35e NORTH SEA JAZZ FESTIVAL. Ahoy Rotterdam, vrijdag 9 juli 2010
beeld: Eddy Westveer, Ron Beenen
door: Mischa Andriessen

Nog voor er een noot was gespeeld was duidelijk dat de vijfendertigste editie van het North Sea Jazz Festival als bijzonder de boeken in zou gaan. Met tropische hitte en een historische voetbalfinale als belangrijke afleiders, en met de opmerkelijke keuze voor Ornette Coleman als artist-in-residence. Ja, Colemans festivaloptreden in 2007 was onvergetelijk, maar een man die nog altijd hordes toehoorders de deur uitjaagt als hoofdgast op een groot publieksevenement uitnodigen, getuigt wel degelijk van moed.


Concerten van Ornette Coleman, Thomas Stanko en Lee Konitz op een snikhete eerste dag van North Sea Jazz 2010.

De omzwaai naar meer avontuur in het programma die vorig jaar met de prominente programmering van John Zorn vorm kreeg, werd dit jaar doorgezet. Met als blikvanger een veel belovende serie concerten onder de titel ‘global Brooklynn’. 

Niet al het oude is overboord gegaan. Zoals de traditie voorschrijft, luidde de compositieopdracht het festival in. Rietblazer Tobias Klein verzorgde die dit jaar met zijn trio Lackritz, waarin naast Klein op bas- en contrabasklarinet, Kristina Fuchs (zang, percussie) en Raphael Vanoli (gitaar, elektronica) spelen. Ronduit spannend was het spel tussen de zang- en klarinetlijnen, die soms prachtig samenvielen om op andere momenten tegen elkaar aan te schuren. Geestig was ook Fuchs’ muzikale impersonatie van een Siberische taxichauffeur die haar met Rammstein luid op de autoradio door het onherbergzame landschap reed.

De composities lijken rond de stemmen van Fuchs en Klein gebouwd. De rol van Vanoli is minder helder. De gebrekkige geluidsafstelling in de lage Yenisei zaal zorgde er mede voor dat Lackritz niet optimaal uit de verf kwam, maar het project is boeiend genoeg om het volgend seizoen elders op een tweede luisterbeurt te vergasten.

Tegendraads en traditioneel
Als eerste groep in het programma rond Brooklynn als nieuw kloppend hart van de New Yorker jazzscene trad Todd Sickafoose’s ‘Tiny Restrictors’ aan. De tegen nonchalance aanschurkende relaxedheid die bassist en bandleider Sickafoose in zijn presentatie aan de dag legt, klinkt ook in zijn spel en muziek door. Thema’s worden kalm en beheerst opgebouwd waarbij de vuige bluesgitaar van Adam Levy voor een aangenaam broeierig sfeertje zorgt. Drummer Ted Poor speelde fel en gevarieerd met veel verrassende accenten zonder het groepsgeluid daarmee uit balans te brengen. Dat groepsgeluid wordt gekenmerkt door veel ruimte. De musici verstaan alle vijf de kunst van het zwijgen en spelen liever een noot te weinig dan te veel.


Todd Sickafoose van de New Yorkse groep Tiny Restrictors, artist in residence Ornette Coleman en ook Diana Reeves trad op.

Sickafoose heeft zijn filmisch aandoende muziek knap gebouwd op een tegendraadse omgang met de traditie. De luisteraar wordt aanvankelijk gemoedelijk naar bekend terrein gevoerd waar hij gaandeweg met vervreemdende subtiliteit wordt geconfronteerd. Op die manier houden de Tiny Restrictors een zompige groove in stand zonder dat die toegankelijke basis hen in het avontuurlijke belemmerd. Blazer John Ellis is in die setting perfect op zijn plaats. Hij koppelt kennis en liefde voor de traditie tot aan de vroegste jazz uit New Orleans aan een vloeiende inventiviteit.

Ornette Coleman
Ellis was een van de vele muzikanten die naar het eerste optreden van Ornette Coleman onder de titel ‘This is our Music now’ kwam luisteren. Dit jaar is het vijftig jaar geleden dat ‘This is our Music’ verscheen. Een van de vroege, baanbrekende platen van Coleman. De twee nog levende musici die aan die plaat meewerkten Coleman en bassist Charlie Haden zouden voor de gelegenheid worden herenigd. Bovendien zou naast Colemans vaste kwartet ook Joshua Redman aantreden. Redmans vader Dewey speelde lang met Coleman, maar niet op ‘This is our Music’. Joshua Redmans aanwezigheid was daarom wat geforceerd. Geen punt, het samenspelen van twee zo verschillende muzikale geesten beloofde veel.

Dat fantastische optreden uit 2007 schiep ook al de nodige beloften, maar als om duidelijk te maken dat je bij hem nooit iets mag verwachten, begon het concert uiterst matig. De beide bassisten Al MacDowell en Tony Falanga speelden tamelijk plichtmatig waarbij de intonatie in de gestreken passages van Falanga wrong, maar niet aangenaam of intrigerend wrong. Drummer Denardo Coleman bracht het tempo vaak terug tot dat van een gezapige blues om dan soms ineens weer te versnellen zonder dat de anderen hem volgden. Ornette klonk soms magistraal met dat unieke hartekreetgeluid van hem, maar vaak ook was hij weifelend en leek het of hij in zijn eigen muziek moest groeien.

Hij hield zich netjes aan de paradoxale opdracht: terugkeren naar de muziek van vijftig jaar geleden die de banden met het verleden doorsneed en enkel naar de toekomst keek. Die contradictie werkte schijnbaar verlammend en ook Joshua Redman die na een paar nummers op de planken verscheen, leek zich in deze setting niet goed raad te weten. Elkaar proberen te vinden op bekend terrein en gezamenlijk een nieuwe weg zoeken? Het werd een compromis tussen die twee en het sluiten van compromissen is nou net niet wat Coleman tot Coleman maakt.

De hereniging met Haden pakte stukken beter uit. Waarschijnlijk heeft in de loop der jaren vrijwel niemand zoveel gespeeld met Coleman als Haden en dat was meteen duidelijk. De twee begrijpen elkaar. Coleman klonk meteen zelfverzekerder, Haden bracht in zijn eentje tegelijk meer rust en drive dan de twee bassist daarvoor samen. Zo werd het optreden toch nog enigszins gered en kon Redman na zijn pijnlijke worsteling opgelucht aansluiten in een van Colemans mooiste nummers ‘Lonely Woman’.


Gitarist Timuçin Sahin, het Chris Potter Tentet, en Joshua Redman die zowel met Coleman als met zijn Double Trio speelde.

Virtuositeit heeft veel gezichten
Vergeleken met Ornette Coleman maakt Timuçin Sahin in zekere zin de omgekeerde ontwikkeling door. Waar Coleman meteen al een bijzondere componist was en gaandeweg meer controle over zijn instrumenten kreeg, maakte Sahin aanvankelijk meer indruk als vingervlugge gitarist dan met zijn composities. Op zijn meest recente cd ‘Bafa’ bracht hij beide talenten in balans en het einde van die ontwikkeling is nog niet in zicht. Van het kwintet waarmee hij op North Sea aantrad, is buiten Sahin zelf alleen Thomas Morgan op ‘Bafa’ te horen, maar met name de uitbreiding van de blazerssectie die nu door Ralph Alessi (tp) en Michael Attias (as, bs) wordt gevormd, zorgt voor een spannende verdieping van die toch al sterke stukken.

Met zijn ritmisch complexe muziek sluit Sahin aan bij Amerikaanse artiesten als Vijay Iyer en Steve Lehman die later nog op North Sea zullen verschijnen, maar Sahin heeft een duidelijk eigen stijl met elementen uit funk en fusion. De muziek schiet als het ware steeds in en uit de groove. Opnieuw Ted Poor was het die met fel en zeer puntig spel de muziek op de juiste manier aandreef. Dat hij opviel in een band met alleen maar zeer bekwame en eigenzinnige muzikanten zegt genoeg.

Waar de Missouri plaats bood aan jong talent, was de Madeira het oord voor grote namen uit de jazzgeschiedenis. Phil Woods, een tribuut aan Charlie Mariano, Lee Konitz en Tomasz Stanko. Laatstgenoemde verving voor zijn recente cd ‘Dark Eyes’ zijn vaste trio voor een nieuwe band met vier jonge Scandinaviërs. Op cd pakte dat al bijzonder goed uit, maar live maakte de nieuwe groep nog meer indruk. Vooral omdat gitarist Jakob Bro een prominentere rol opeiste en het publiek met subtiele, maar pakkende solo’s bedwelmde.

Bro is een totaal andere gitarist dan Sahin. Hij zoekt niet het buitenissige en enerverende op, maar bouwt noot voor boot aan een verhaal. Als dat met een drie flageoletten verteld kan worden, graag. Pianist Alexi Tuomarila heeft een zelfde instelling en samen creëren ze zo’n ruimtelijke, melodische rijkdom dat de Poolse trompettist zijn solo’s als het ware alleen nog maar in hoeft te koppen. De op de achtergrond stuwende bas van Anders Christensen en het ingetogen drumwerk van Olavi Louhivuouri houden de muziek puntig en op pit. Twee dagen voor zijn achtenzestigste verjaardag zit de sleet er bij Stanko er beslist nog niet op en de moordende hitte in de Madeira deed hem blijkbaar ook weinig, getuige de felle bopsolo die hij tegen het eind nog ten beste gaf.

Nog warmer
Vijf flessen water had altsaxofonist Joris Posthumus klaar staan en dat was geen overbodige luxe, via het zich rap uitbreidende stippenpatroon op de rug van het shirt van pianist Jeroen van Vliet kon het publiek zien hoe Posthumus’ kwartet zich letterlijk in het zweet werkte. ‘Ik heb het er nog warmer van gekregen,’ zei de Tilburger na het energieke ‘Sunshine’. Het publiek dat naarmate het festival vorderde meer en meer behoefte aan verkoeling kreeg, kon van het Joris Posthumus Quartet leren dat je hitte het beste met vuur te lijf kunt gaan. In de kleine Volga kwam het beste uit het viertal naar boven en kregen sterke stukken van Posthumus’ wisselend ontvangen debuut cd ‘The Abyss’ een avontuurlijke en zonder meer overtuigende nieuwe vertolking. Van Vliet toonde in het titelnummer zijn onvergelijkbare poëtische talent en Posthumus zelf had de gretigheid van een muzikant die beseft dat hij een heel nieuw publiek voor zich te winnen heeft. De zaal zat binnen de kortste keren vol en hoewel menigeen wist dat een verdieping lager een altsaxofonist van wereldformaat was begonnen te spelen, bleven ze toch nog even een nummer uitzitten en dan nog een.


Marcus Miller en Sean Jones. Het Ad Coolen Quartet vertegenwoordigde de Nederlandse jazzscene.

Die altist was Lee Konitz, vorig jaar wegens ziekte absent, nu gelukkig weer van de partij. In plaats van het aangekondigde kwintet zaten er vier heren op het podium. Vier heren die na de bruisende set van Posthumus bedaagd overkwamen. Met name het spel van Ethan Iversan kabbelde. Zijn ontwrichtende humor is verwant aan die van Konitz, maar de snikhete Madeira was niet de juiste ambiance voor dergelijke spitsvondigheden. Konitz zelf leek brozer dan bij zijn prachtoptreden met de jonge jongens van Minsarah kort geleden, de tropische temperatuur was voor hem net als voor Ornette Coleman mogelijk een zware handicap.

Funky toen, funky nu
Marcus Miller is Marcus Miller, weer of geen weer. De bassist is zo ongeveer elk jaar op North Sea en zijn energie is schijnbaar tomeloos. Vorig jaar startte hij zijn tribuut aan Miles Davis’ album ‘Tutu’, in feite een werkstuk dat goeddeels op Millers conto komt, maar blijvend Miles’ naam op de cover heeft staan. Er zijn platen van Davis waar je liever op teruggeblikt zou zien worden, maar Miller pakt wat hij doet vakkundig aan. Sean Jones is een uitstekende trompettist die het zichtbaar naar zijn zin had in de immense Nile-hal, waar een groot feest der herkenning werd gevierd.

De muziek van het Amerikaanse kwartet Rudder staat eigenlijk niet ver af van wat Miller doet; hard en stevig grooven. Saxofonist Chris Cheek vervormt zijn geluid met allerhande effectapparatuur waaronder een wahwah. Het geluid van de groep klinkt daardoor eigenlijk eerder ouderwets dan nieuw, maar funken doet het. Geen groep die het van fijnzinnigheid moet hebben, soms lekker vet, soms wat lomp.

Wat dat betreft, was het optreden van het Ad Colen Quartet veel swingender. Colen en co hebben met ‘Free’ een heel sterke cd afgeleverd, waarvan ze de stukken overtuigend vertolkten. ‘Tricky Customer’ is zo’n nummer dat je hoofd niet verlaat, hoewel het vol speelse wendingen zit. Colen speelt vloeiend en gedreven met een natuurlijke lichtheid die door het soepele spel van bassist Wiro Mahieu en drummer Yonga Sun wordt onderstreept. Pianist Gé Bijvoet laat met speelse, weerbarstige noten horen dat deze muziek niet zo aan de bomen hangt, maar mensenwerk is. Mooi.

Op de kleintjes letten
Met uitzondering van Tomasz Stanko waren het vooral de kleinere namen die op de eerste dag de meeste indruk maakten. De ontwikkeling dat North Sea in de breedte steeds interessanter wordt, heeft zich doorgezet. Dat is een groot geluk, valt een grootheid tegen dan loop je gewoon door naar een van de achterafpodia, dikke kans dat daar wel iets opwindends gebeurt.


© Jazzenzo 2010