Artikel geprint vanaf Jazzenzo.nl

Sonny Rollins en Ornette Coleman nog altijd even machtig

35e NORTH SEA JAZZ FESTIVAL, Ahoy Rotterdam, zondag 11 juli 2010
beeld: Eddy Westveer, Ron Beenen
door: Rinus van der Heijden

Op de laatste dag van North Sea Jazz werd de aandacht vanzelf naar twee namen in het programma getrokken: Sonny Rollins en Ornette Coleman. Beiden zijn inmiddels 80 jaar oud en beiden zijn nog boegbeeld van een verloren gegane generatie. Tenorsaxofonist Rollins van die welke de historische tenoristenlijn Coleman Hawkins-Lester Young-John Coltrane beëindigt; altsaxofonist/trompettist Ornette Coleman van die van de free-jazz, waarvan hijzelf ontdekker en tegelijkertijd zowat afsluiter is. Oude mannen derhalve van wie velen vanwege hun hoge leeftijd hebben gedacht: kunnen ze het nog?


Een weergaloze Sonny Rollins, Dave Holland met flamencomusici en Ornette Coleman eindelijk in vorm tijdens de slotdag van North Sea Jazz 2010.

Om met dit valse sentiment te beginnen en het vervolgens snel aan de kant te schuiven: jazeker! Hoewel Sonny Rollins motorisch beweegt als een aangereden pinguïn, was zijn optreden weergaloos. Zelden toonde Rollins zich zo van zijn sterkste kant als deze zondagmiddag in een afgeladen Amazon. De tenorkolos speelde vijf kwartier. Onafgebroken en dat betekent dat hij zijn instrument slechts een paar keer enkele tellen uit zijn mond nam om te laten horen dat hij ook nog begeleiders bij zich had. Misschien dat hij extra geïnspireerd was geraakt toen iemand uit het publiek vlak voor de eerste noten spontaan ‘Happy Birthday To You’ inzette en de zaal massaal meezong.

Rollins speelde slechts vier stukken plus als toegift het onvermijdelijke ‘St. Thomas’. Hij opende als een wervelwind met een geluid dat niet alleen de Amazon vulde, maar gemakkelijk het gehele festivalterrein had kunnen beslaan. Van sleet is totaal geen sprake: Rollins’ toon is nog altijd even machtig als in zijn hoogtijdagen, zijn frasering en timing zijn bijna onmenselijk, zijn fantasie  ongeëvenaard en zijn energie tomeloos. Voorovergebogen stak hij de beker van zijn saxofoon zowat in de gezichten van de batterij fotografen voor het podium, om vervolgens de rechterhand van de kleppen van zijn instrument te halen om er twee tellen de maat mee te slaan. Stoer en onverbiddelijk, machtig en geen tegenstand duldend.


Sonny Rollins bespeelt publiek en fotografen. Diana Krall leeft mee met het Nederlandse jazz-voetbalpubliek.

Imponerend was Rollins’ vertolking van ‘My One And Only Love’. Hij bestreek het publiek met zijn toon als de hand van een minnaar zijn geliefde. Het thema van de ballad werd volledig uiteengerafeld, waarbij je je voortdurend afvroeg waar Rollins die ontelbare invalshoeken vandaan haalt. Kort gaf hij ruimte aan basgitarist Bob Cranshaw en gitarist Peter Bernstein om als bel-cantozangers de melodie uit te buiten. En natuurlijk zat er een calypso tussen de vier gebrachte composities. Waarop Rollins zover zijn krakkemikkige fysiek het toeliet, zijn dansende en wervelende notenreeksen met aarzelende schuifelpasjes begeleidde.

Ornette Coleman, dit jaar artist-in-residence op North Sea en zodoende elke dag optredend, had voor de laatste dag van het festival Bachir Attar en The Master Musicians of Jajouka meegebracht. Deze musici uit het Marokkaanse Rifgebergte ontmoette Ornette Coleman al in 1973, nu trekt hij er mee over de wereld. Hun gezamenlijke optreden was betoverend. De Master Musicians traden eerst aan voor een intro vol hypnotisch inwerkende soefimuziek. Toen daarna Coleman met zijn kwartet haast geruisloos aanschoof, ontstond een adembenemende wisselwerking tussen oosterse en westerse klanken. Of liever gezegd tussen muziek van vele, vele eeuwen oud en improvisatietechnieken van enkele decennia.


Ook Hiromi was op North Sea. Ornette Coleman had The Master Musicians of Jajouka meegebracht.

Ornette Coleman mengde zich aanvankelijk bescheiden tussen de fluiten en drums van de Master Musicians. Langzaam werden zijn altsaxlijnen duidelijker, harder ook waardoor ze beter waren te onderscheiden. Over de volledig dicht gesmede muziek van de Marokkanen legde de saxofonist scherpe, volstrekt intuïtief ontstane, lange snoeren. Zonder enig vibrato, met nauwelijks verschillen in toonhoogte, schel en pregnant, uitte hij zijn emoties. Het was bijna een wonder hoe deze zo specifieke aanpak van Coleman aansloot bij de heksenketel aan Noordafrikaanse klanken die de Master Musicians zo bezwerend neerzetten.

Ornette Coleman scheen de beide voorafgaande dagen niet in vorm te zijn geweest. Tijdens dit concert was daar geen sprake van. Ook zijn zoon Denardo op slagwerk lag vol op stoom. Daar was iets minder sprake van bij gitarist James ‘Blood’ Ulmer. Hij sloot in het tweede deel van het concert aan. Wat blueslicks plukkend, soms mee opgaand in het vrije geweld van Ornette Coleman en de Master Musicians, ging Ulmer, half afgewend van de anderen, eigenlijk gewoon zijn eigen gang. Prima natuurlijk, maar deze niet te onderschatten musicus kreeg zijn plaats binnen deze formatie er  niet mee gevonden.

Alweer iemand van de oude garde is pianist McCoy Tyner. En ook hij zorgde voor een memorabel optreden. Met zijn trio had hij als gast tenorsaxofonist Joe Lovano. Is het dan vreemd dat Tyner, ex-begeleider van John Coltrane ook hier de geest van zijn vroegere meester liet rondwaren? Dat was echter geen punt, want Lovano op zijn beurt is weer handwerksman genoeg om de geest terug in de fles te stoppen. Voor nieuwe muziek moet je bij deze musici niet aankomen, maar het bewaren van de traditie is bij hen in goede handen. Het waren met name de subtiele ritmeverschuivingen in het spel van McCoy Tyner, die voor prikkelende verrassingen in het spelconcept zorgden.


Wie er ook waren: Sharon Jones, Dee Dee Bridgewater en Al Green.

Had Ornette Coleman zich verzekerd van de steun van Marokkaanse musici, contrabassist Dave Holland had flamencomusici uitgenodigd. In zijn eentje stond hij tussen twee gitaristen en twee percussionisten. Samen het Dave Holland & Pepe Habichuela Quintet vormend. Het bleek een mooie combinatie, de improvisaties van Holland en de flamencobewegingen van de vier Spanjaarden. Dave Holland’s spel was zoals altijd indrukwekkend: gortdroog geplukte noten, akoestisch perfect weergegeven, staccato neergelegd. Waarbij je de indruk kreeg dat over elk van die noten was nagedacht. Gelukkig was dit niet zo, want anders hadden Dave Holland c.s. nooit zo’n hoog niveau kunnen bereiken.

Ook Andy Sheppard bracht het er goed af. ‘Movements in Colour’ was de titel van zijn project en dat had niet beter getypeerd kunnen worden. Het waren vooral klankkleuren waarmee de Britse alt- en tenorsaxofonist goochelde. Die kleuren werden verdiept door de aanwezigheid van Kuljit Bhamra die tabla en andere percussie had meegebracht. Mét twee gitaren en contrabas dwaalde Sheppard door de melodische en harmonische rijkdom die instrumenten kunnen voortbrengen, mits ze naar behoren worden behandeld.


© Jazzenzo 2010