Artikel geprint vanaf Jazzenzo.nl

Vrijheid en variatie ondanks beperkingen op Keys and Stix Festival

CONCERTRECENSIE. Keys and Stix Festival, Bimhuis Amsterdam, 25 maart 2011
beeld: Julia Free
door: Jan Jasper Tamboer

Het concept van een duo met toetsen en slagwerk is in Nederland vooral bekend van de samenwerking tussen Misha Mengelberg en Han Bennink. Beiden zijn nu ook geprogrammeerd in het Keys and Stix Festival, maar niet met elkaar. Mengelberg speelt voor het eerst met de jonge New Yorkse belofte Tyshawn Sorey op de vrijdagavond en Han Bennink gaat een duo aan met de Zwitserse Irene Schweizer op de zaterdagavond. Jazzenzo beperkt zich tot de vrijdag.


Harmen Fraanje, Yuko Oshima (Donkey Monkey) en Tyshawn Sorey speelden tijdens de openingsavond van het Keys and Stix Festival. in het Bimhuis.

Mengelberg (75) loopt met een stok en dan nog moeizaam, voetje voor voetje en voorover gebogen. Groot is het contrast met jonge hond Sorey, die blaakt van energie. De een op zijn retour, de ander opkomend, een mooi stel. Zin heeft de oude meester echter nog volop, zonder aankondiging stapt hij vroegtijdig het podium op en zijn eerste noten klinken al als er nog druk geroezemoesd wordt door het publiek. Zijn spel is misschien niet zo strak meer en de overtuigingskracht is wellicht minder dan voorheen, maar hij kan wel ontroeren en spanning brengen met zijn delicate klanken. Zoekend en tastend speelt hij voorzichtige noten rond eenvoudige motieven. Het improviseren zit Mengelberg nog steeds in zijn bloed en in zijn genen. Met minimalistische middelen zonder al te veel dynamiek weet hij verfijnde sferen te scheppen en de aandacht van de toeschouwers te concentreren.

Sorey beperkt zich aanvankelijk tot het leggen van accenten, dit in tegenstelling tot de onstuimige inbreng bij zijn bandleider Steve Lehman, in wiens octet hij een zware rol speelt. De drummer vestigt vervolgens de aandacht op zich door zijn drumstel te ontmantelen. Eerst breekt hij de hi-hat al af, waarna de snaredrum eraan moet geloven. Met beide onderdelen haalt hij allerlei fratsen uit. Muisstil is het in de zaal als hij met zijn vingers over trommels en bekkens wrijft, zijn ademhaling is hoorbaar. Dan opeens een knal met de basdrum. Mengelberg raakt hierdoor geïnspireerd en begint met zijn pet en later jasje op de snaren van de vleugel te slaan, waarbij hij ook nog een deuntje fluit. De pianist neemt vervolgens plaats in het publiek om Sorey te aanschouwen, die inmiddels zit te gorgelen met water uit een fles. Hilariteit alom.

Heel wat serieuzer gaat het er aan toe bij het duo Harmen Fraanje en Martijn Vink. Wel zijn hun openingsmaten net zo behoedzaam als die van Mengelberg en Sorey. Maar verderop is hun sfeer een heel andere, met hogere tempo's en veel meer dynamiek. Ook valt op dat de twee elkaar veel meer tegenspel bieden en elkaar opporren, Fraanje reageert onmiddelijk en adequaat op Vink en vice versa. Hier spelen twee muzikanten die volstrekt aan elkaar gewaagd zijn. Fraanje bedient met het grootste gemak de toetsen, alsof hij ermee vergroeid is, en als Vink eenmaal op dreef is, is hij niet meer te stuiten.


Eve Risser (Donkey Monkey) , Misha Mengelberg en Harmen Fraanje.

Vink speelt net zo gemakkelijk met zijn vlakke handen als met stokken en brushes. Als hij soleert, zit Fraanje met een grote grijns op zijn gezicht toe te kijken. De twee spelen eigen composities, 'stukjes' noemt de pianist ze steevast, maar hij mag best met wat meer respect over zijn eigen werk praten, want dat heeft beslist kwaliteit. Het is te hopen dat deze generatiegenoten vaker samen van zich doen horen en zich niet beperken tot hun eigen trio of Fugimundi (Fraanje) en The Ploctones of Anouk (Vink).

Voordat de slotact van start gaat is er een fors changement, want niet alleen moet er een ander, groot slagwerk worden opgesteld, ook komt er een andere, geprepareerde, vleugel. Inmiddels vordert de tijd en pianiste Eve Risser van Donkey Monkey is dan ook blij dat zovelen op zo'n laat tijdstip zijn gebleven voor hun optreden. De sfeer van dit vrouwelijke duo is weer een geheel andere. Risser speelt donkere pianopartijen met blokakkoorden in de lagere regionen van het klavier, met veel repetitieve thema's.

Soms ontstaat er zelfs zonder bas een groove. Dynamische uitbarstingen sterven een abrupte dood in uitgerekte momenten van verstilling. Tweestemmige zang voegt weer een heel nieuwe dimensie toe. Donkey Monkey laat horen over een geheel eigen idioom te beschikken dat vooral veel levendigheid kent. Slagwerker Yuko Oshima kan er zelfs niet bij blijven zitten. Het optreden zit vol van onverwachtse impulsen, en stemaanheffingen lijken altijd spontaan ingezet te worden. Als slotstuk brengt Donkey Monkey een bezwerend nummer met space-achtige geluiden, die bijna een trip teweeg brengen.

Hoewel het instrumentarium op het Keys and Stix Festival strikt gebonden en beperkt is, kende de vrijdagavond toch een grote variëteit. Dat is een compliment aan de organisatoren en de programmeurs, die met deze avonden een uniek project neerzetten, met deels nieuwe combinaties van artiesten. Zeker voor herhaling vatbaar.


© Jazzenzo 2010